Het verzet klopte zich niet op de borst, integendeel

Ze weigerden medailles

Chris van der Heijden gebruikt zijn rijke fantasie als hij zegt dat kort na de oorlog het verzet zich flink op de borst klopte (NRC Handelsblad, 15 oktober). Integendeel. De leiding van de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers (LO) en Landelijke Knokploegen (LKP) was in rouw. Ze hadden bijna 1.700 mensen uit hun organisatie verloren. Collectief weigerden ze onderscheidingen te accepteren, tot ergernis van koningin Wilhelmina. Die verklaarde eindelijk eens mensen te willen decoreren die het verdiend hadden. Mijn vader (Frits de Zwerver) zei dat hij de weduwen van zijn collega’s niet onder ogen kon komen met een ridderorde in zijn knoopsgat. Scheepstra, de enige landelijke knokploegleider die het had overleefd, accepteerde de Militaire Willems-Orde voor de organisatie, mits de koningin die ook zelf wilde accepteren.

Maarten van Buuren generaliseert verder als hij de ontsporing in het Westland typerend acht voor het hele verzet. Er waren ontsporingen maar die waren vooral het gevolg van het feit dat na het wegvallen van de eerste generatie, jonge onervaren knokploegleiders zich niet aan de regels hielden. Van de KP alleen al bleken na de oorlog van de 500 leden 250 te zijn omgekomen. We moeten de gebeurtenissen wel in het juiste perspectief blijven zien.

Dr. Jan Slomp

Leusden

Bewust in de schaduw

Maarten van Buuren meent dat verzetsman P. Doelman („eigenlijk een soort maffiabaas”) meer representatief was voor het gewapend verzet dan iemand als Leendert („Bertus”) Valstar (die nota bene tot de oprichters van de Landelijke Knokploegen, de LKP, behoorde). Daarmee slaat Van Buuren de plank volkomen mis.

De LKP was de grootste organisatie van gewapend verzet in ons land. Dit landelijke verband werd in augustus 1943 opgericht om individuele activiteiten van los van elkaar opererende groepen te coördineren, daarvoor goed doordachte beleidslijnen aan te reiken en zo te pogen ‘wildgroei’ te voorkomen. Dat toch excessen plaatsvonden mag dus juist niet worden toegeschreven aan de LKP.

Van Buuren meent verder dat P. Doelman is „weggeschreven” uit Het Grote Gebod, het gedenkboek van de geschiedenis van het verzet in LO en LKP. Hij pretendeert ook te weten waarom. Daarbij gaat hij er achteloos aan voorbij dat de redactie toen andere criteria hanteerde dan hij nu aan hen toedicht. Bepalend was met name de vraag in hoeverre verzetsactiviteiten plaatsvonden binnen het landelijke verband van LO-LKP (daar gaan die boeken immers over) en ook of hun inzet voor de goede zaak aan de betreffende verzetsmensen het leven heeft gekost. In dat laatste geval worden zij met naam en toenaam respectvol vermeld. Verzetsmensen die overleefden daarentegen bleven naderhand bewust in de schaduw en worden tot en met de 3e druk alleen onder hun schuilnamen genoemd. Pas aan de 4e druk van 1989 werden in een los register deze schuilnamen aan echte namen verbonden.

Aansluitend meldt Chris van der Heijden dat „het verzet” zich na de oorlog flink op de borst klopte. Hij voegt toe dat „het gewapend verzet” vooral bestond uit „groepjes jongens die in de laatste maanden van de oorlog stoer deden met wapens.” Dan moet het hem ontgaan zijn dat het echte verzet geboren werd en zich ontwikkelde in de periode tot aan september 1944, dat het een principieel karakter had en dat juist deze verzetsmensen na de oorlog geen onderscheidingen wilden omdat hun verzetshouding niet gericht was op persoonlijk gewin. Degenen die zich na de oorlog op de borst klopten behoorden tot een andere categorie.

S.E. Scheepstra

Bestuurslid St. Herinnering LO-LKP

Ze redden mijn vader

Mijn vader was een ‘Rijksduitser’; hij was als jongeman naar Nederland gekomen, waar hij mijn moeder ontmoette. Bij hun huwelijk werd zij automatisch ‘Rijksduitse’. Ook hun drie kinderen, onder wie ik, kregen deze nationaliteit.

In de jaren ’40-45 moest zowel mijn vader als mijn oudste broer dienstdoen in het Duitse leger. Mijn broer kregen ze te pakken, mijn vader ontsprong de dans. Hij was als zakenman – dealer van General Motors voor het Westland – zo ingeburgerd dat hij bij zijn onderduik in Nootdorp hulp kreeg van het verzet. Zij zorgden voor valse persoonsbewijzen voor hem en mijn moeder. Ik zie dat documentje nog voor me: ‘J. den Harder’, ‘handelaar’.

Toen ik mijn vader naar deze toch wel spannende tijd – ik was toen een paar jaar oud – vroeg, zo rond 1955, vertelde hij dat het Westlandse verzet hem had geholpen, in de persoon van Piet Doelman uit Naaldwijk. In de eerste klas van een Haagse middelbare school, die helemaal uit Westlanders was samengesteld, was ene Peter Doelman uit Naaldwijk mijn klasgenoot. ‘Dat moet zijn zoon zijn’, zei mijn vader en hij benadrukte nog eens hoe bijzonder het was dat een Rijksduitser was geholpen door een voorman uit een knokploeg.

Toen ik het artikel las, waarin Piet Doelman toch enigszins van zijn troon wordt gestoten, dacht ik: jij mag dan wel niet zo nobel zijn als ik altijd heb gedacht, maar je hebt er toch maar voor gezorgd dat ik na 1945 nog een vader had.

Ria Hörter

Nunspeet

    • Dr Jan Slomp
    • Ria Hörter
    • S.E. Scheepstra