Het lichaam van Gerrit Kouwenaar

‘Daar sta ik dan’, zei de dichter nadat hij zijn wandelstok aan het spreekgestoelte had gehangen, en hij zweeg even.

En daar zaten wij. Een paar honderd man, verzameld in een donkere zaal op de laatste heldere zondag van de herfst. Om Gerrit Kouwenaar te zien – wie beweert dat Nederland zijn dichters niet eert?

Kouwenaar ging, aldus presentator Petra Possel, de afgelopen drie jaar door ‘een medische mallemolen’, maar daar was de 88-jarige toch echt, in De Nieuwe Liefde. Een stoel op de tweede rij, aan de zijkant, voor het geval zijn lichaam het toch niet de hele tijd vol zou houden.

Die zorg bleek niet nodig. Tweemaal betrad Kouwenaar het podium en las hij een handvol gedichten, met wat minder kracht dan voorheen, maar zijn woorden konden het alleen aan. Het waren Greatest hits. Oudere dames in het publiek stootten elkaar gelukkig aan bij favorieten als de ‘volledig volmaakte oneetbare perzik’ en de ‘totaal witte kamer’ . Waarom ging die Nobelprijs toch naar Tomas Tranströmer?

Gaston Franssen liet zien dat Kouwenaar niet alleen een ‘talige’ dichter is, maar ook een lichamelijke. Dankzij powerpoint liet hij in het gedicht ‘in een lade’ het ene na het andere woord rood opgloeien: aflijvig, vlees, inwendig, leegbloedt, wonde, litteken, brandde.

Dat werkte. Bij de volgende optredens viel op hoe veel vlees er bij Kouwenaar voorkomt. Met als toegift de anekdote van K. Schippers die in een videoboodschap vertelde hoe er op de winkelruit onder Kouwenaars woning bij een juiste schuine blik nog te zien is dat daar ooit ‘Fijne vleeschwaren’ heeft gestaan.

Al die lichamelijkheid heeft met vergankelijkheid te maken, maar daar sprak zondag niemand over. Zoals niemand verwoordde en iedereen dacht dat wij hier zaten omdat, nu ja, omdat het zomaar de laatste keer zou kunnen zijn.

Kouwenaar heeft daar vast wel aan gedacht. Hij besloot met wat hij zelf zijn ‘dodemansgedicht’ noemt, een paar jaar geleden geschreven op verzoek van tijdschrift Het liegend konijn. Na de slotregels (‘hier duurt wat zich bedierf, namaals is goudpapier/ dun als de vlinder die onwetend rouwt/ en in zijn mantel uit zijn vleugels valt –’) liep de dichter onder ovationeel applaus het podium af.

Even hield hij in en zwaaide hij met zijn bloemen. Toen liep hij langzaam verder.