Hermans' ode aan een zestienjarig meisje

Elsbeth Etty neemt wekelijks de stapel binnengekomen boeken door, signaleert en geeft een eerste oordeel. Deze week: erotische poëzie, peeskamers en Beethoven.

‘Heiliger dan de Hostie is je vulva!/ In mijn penis wordt het brood gebroken./ Ik olie je verhemelte met mijn sperma./ En je bekken, je Sixtijnse Kapel,/ waarin de stromen van het Paradijs ontspringen.’

Deze ode aan een zestienjarig Singalees meisje met wie de dichter onder invloed van hasjiesj uitzinnige seks heeft (‘Deze ejaculatie neemt geen einde./ Ditmaal keer ik mij binnenstebuiten/ onophoudelijk.’) komt uit het lange hete gedicht ‘De heilige Maria Juana’, waarvan W.F. Hermans beweerde dat het van de (nooit bestaand hebbende) dode dichter Luís Cimatarra was. Maar het is wel degelijk door hem zelf geschreven, zoals blijkt uit Willem Frederik Hermans Volledige werken 9. Gedichten (De Bezige Bij, 320 blz. € 35). Deskundig bezorgd door het Huygens Instituut en voorzien van een commentaar vol fijne Hermans-anekdotes. Verschijnt komende week.

In zijn nieuwe essaybundel De mobilisatie van Arcadia (De Bezige Bij, 285 blz. € 19,90), geeft de erudiete Vlaamse dichter/romancier Stefan Hertmans een interessante visie op onder anderen de schrijvers Michel Houellebecq en W.G. Sebald. Hertmans schrijft zo prikkelend dat ik meteen zijn mening wil weten over alles wat ik recentelijk heb gelezen. W.F. Hermans’ erotische poëzie behandelt hij niet, maar ik vermoed dat hij daar een voorbeeld in ziet van wat hij in het openingsessay ‘De gevoelloze emotie’ aanduidt als ‘emotioneel leeggemaakte seks’. Een kenmerk daarvan is dat „men er louter technisch over spreekt en geen emotie meer ondervindt bij het zien van het gelaat, laat staan het lichaam of het geslacht van de ander”.

De 69-jarige tweeling Martine en Louise Fokkens heeft van emotioneel leeggemaakte seks haar beroep gemaakt. Beide dames waren in de jaren 60 zo’n succes op de Amsterdamse Wallen dat ze in 1978 een eigen ‘hoerenkast’ konden kopen in de Koestraat. Begin jaren negentig, toen het klimaat op de Wallen door drugscriminaliteit en vrouwenhandel verhardde, sloten ze hun bordeel. Louise heeft sindsdien weinig meer gewerkt, maar Martine zit nog steeds achter het raam in de Oude Nieuwstraat. Daar raakte ze aan de praat met filmmaker Rob Schröder, die het afgelopen jaar samen met Gabriëlle Provaas een film over de tweeling maakte. Alle verhalen die ze daarin niet kwijt konden zijn opgenomen in het olijke, misschien iets te geromantiseerde, Ouwehoeren. Verhalen uit de peeskamer (Bertram + De Leeuw, 191 blz. € 14,95). Het mooiste hoofdstuk heet ‘De Stille Omgang en de Geilelullenloop’ waarin Louise het gerucht bevestigt dat de busladingen diepkatholieke mannen die jaarlijks in Amsterdam een processie houden om de Heilige Hostie te eren de prostituees overwerk bezorgen.

Aangezien de mensheid vermoedelijk nooit genoeg zal krijgen van Beethovens beroemdste symfonie kan daar ook nooit genoeg aandacht aan worden besteed. De Amerikaanse historicus Harvey Sachs neemt ons in De Negende (De Bezige Bij, vert. Frits van der Waa, 285 blz. € 24,90) mee naar het Wenen van 1824, waar het stuk op 7 mei in première ging, uitgevoerd door een samenraapsel van musici, een nauwelijks geoefend koor dat voor de helft uit amateurs bestond en solisten die hun partij onzingbaar moeilijk vonden. Behalve markante bijzonderheden en een nauwgezette analyse van Beethovens muziek biedt Sachs een overzicht van wat er in 1824 verder nog in Europa op kunstgebied gebeurde – hij legt soms nogal vergezochte verbanden met Byron, Poesjkin, Delacroix, Heine. Vergeefs probeert hij in Beethovens hoofd te kijken, maar dat maakt zijn liefde voor de Negende, die onvergankelijke schreeuw om vrijheid in een tijd van reactionaire dwingelandij, er niet minder aanstekelijk en inspirerend om.

Enthousiasmerend is ook de bundel interviews met geleerden door wetenschapsjournalist Hans van Maanen: De eerste stap in de wetenschap (Boom, 192 blz. € 19,50). Dertig knappe koppen uit alle mogelijke disciplines vertellen over hun eerste vakpublicatie. De geestdrift spat er vanaf. Eén van hen, Joop Goudsblom, schreef in Nihilisme en cultuur uit 1960 over het idee dat het leven geen zin en geen doel heeft. Dat mag dan wel waar zijn, maar wat hebben deze geleerden een zin gehad in hun onderzoekingen en wat een prachtige doelen hebben zij zich in hun werk gesteld. Altijd voortgedreven, zoals Robbert Dijkgraaf in een voorwoord schrijft, door „levenslange fascinatie en verwondering”. Sommige interviews, zoals dat met de 90-jarige astronoom Kees de Jager, las ik met een brok in de keel.

Elsbeth Etty