Groot denken over de toekomst van de polder

Als directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving vindt Maarten Hajer het „hoog tijd om in het groot te denken” over de inrichting van Nederland.„Je moet uitzoomen zoals Cornelis Lely deed.” En vervang het woord ‘klimaatverandering’ door ‘vergroening van de economie’, luidt zijn advies. „Dan leg je uit dat sprake is van begrepen eigenbelang.”

Nederland, De Meije, 20-9-2011. Foto Maarten Hartman. Maarten Haijer is hoogleraar Bestuur & Beleid aan de Universiteit van Amsterdam en de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Van de protestwebsite www.koeienwillenwei.nl : De provincie Zuid-Holland wil de Meijegraslanden ontwikkelen tot natuurgebied waar boeren en graslanden plaats moeten maken voor moeras.Wij, Meijenaren, willen het mooie, unieke cultuurlandschap met onze koeien behouden. De Meijegraslanden maken onderdeel uit van het prachtig veenweidegebied van Zuid-Holland. De graslanden zijn belangrijk vanwege hun historische structuur, hun natuurwaarde Žn vanwege de gemengde dorpscultuur in de Meije, waar boeren een hele belangrijke plaats innemen. Dat maakt dit gebied zo uniek en dat willen we ook zo houden.Boeren, burgers en buitenlui uit de Meije roepen daarom: Stop de kolder, geen moeras in onze polder! Van Wijipedia: De Meije (of Meije) is een lintdorp tussen Zwammerdam/Bodegraven, Zegveld, Woerdense Verlaat en Nieuwkoop. Het heeft ongeveer 400 inwoners verdeeld over drie gemeenten, Bodegraven-Reeuwijk, Woerden en Nieuwkoop, en twee provincies, Zuid-Holland en Utrecht. Het gedeelte dat bij Woerden hoort wordt ook wel Stichtse Meije of Zegveldse Meije genoemd.

Vanaf het enige terrasje aan de enige straat in Meije ziet de wereld er overzichtelijk uit. De weg meandert vrolijk door een fraai Zuid-Hollands polderlandschap, een veenweidegebied met kaarsrechte slootjes en hier en daar een plukje bomen en een boerderij. Alleen de schelle klok van de katholieke kerk maakt ieder half uur duidelijk dat ook in Meije de tijd verstrijkt. Verder verandert hier nooit iets. Althans, zo lijkt het.

Wandelaars en fietsers zien slechts een typisch Hollands dorpje, maar voor Maarten Hajer is dit het geografische centrum van de Randstad. „We zijn hier eigenlijk midden in de stad”, zegt de directeur van het Planbureau voor de Leefomgeving lachend. Dat is de reden waarom hij dit een geschikte plek vindt om te praten over de toekomst van Nederland. „Steden zijn veel groter dan mensen zich realiseren. Je moet niet kijken naar gemeentegrenzen, maar naar mobiliteit. Waar gaan mensen winkelen, waar vinden ze werk, waar zoeken ze hun ontspanning? Nederland telt een aantal regionale steden. Het is zinvol om te praten over Brabant-stad of over de stad die zich uitstrekt van Zandvoort via Amsterdam en Utrecht tot Bussum. Het zijn eigenlijk steden met een diameter van wel zestig kilometer.”

Het Planbureau voor de Leefomgeving adviseert de regering over milieu, ruimte, natuur. We maken sommen, zal Hajer in de loop van het gesprek herhaaldelijk zeggen, om te benadrukken dat de analyses van het Planbureau betrekking hebben op meetbare, objectieve gevolgen van politieke keuzes. De studies van het Planbureau gaan over bevolkingskrimp in Noord-Nederland, over concentratie van landbouw, over het bijstoken van biomassa in kolencentrales.

Scheppingsdrang

Maar Hajer is er de man niet naar om het bij sommen te laten. Hij durft groot te denken, in de beste traditie van negentiende- en vroeg twintigste-eeuwse waterbouwkundigen als Cornelis Lely. „Hun verhaal ging over veel meer dan alleen water”, zegt Hajer. „Zij hadden een enorme scheppingsdrang. Dit land is één grote culturele schepping.” Lyrisch kan Hajer vertellen over de inrichting van de IJsselmeerpolders, over hoe dijken en snelwegen met aandacht voor functionaliteit en voor schoonheid in een landschap zijn gelegd.

Groot denken is nodig om de vraag te beantwoorden hoe Nederland er halverwege deze eeuw zal uitzien. Hajer probeert voor het antwoord te ontsnappen aan de waan van de dag, maar de vraag is niet vrijblijvend. Want de toekomst is dichterbij dan sommigen denken. Veranderingen aan de infrastructuur, zeker aan een stad, gaan heel traag. „Dat haalt 2050 heel erg naar voren”, waarschuwt Hajer. Om nu beleid te kunnen voeren, moet je weten welke toekomst je voor ogen hebt.

Neem een dorpje als Meije. In besluitvorming over de Randstad komt het amper voor, omdat er altijd is geredeneerd vanuit de verstedelijking. „Iedere keer werd er een klein stukje moois afgesnoept van het Groene Hart”, zegt Hajer. „Terwijl je eigenlijk moet denken vanuit de kwaliteit van het totale gebied. Nederland heeft er ooit voor gekozen om geen metropool te ontwikkelen. Steden als Londen en Parijs concurreren met hun massa. Wij kunnen concurreren met kwaliteit en diversiteit.”

Zoveel landelijke schoonheid, zo dicht bij de stedelijke omgeving vind je in de meeste grote Europese steden niet. Hajer noemt Meije „een contrapunt van de stad”. Maar hij wijst er ook op dat veel van dit soort dorpjes nu al allerlei stedelijke functies hebben. Er zijn restaurants voor mensen die niet uit de directe omgeving komen, mensen van buiten wonen er, er zijn allerlei activiteiten van meditatiecentra tot conferentieoorden.

Dat is maar goed ook, want ondanks de natuurlijke schoonheid is dit ook „een gebied waar je op een bepaald moment iets mee moet”, zegt Hajer, terwijl hij zijn blik over de weilanden laat gaan. „De landbouw kwijnt hier weg en is sterk afhankelijk van het waterbeheer. De bodem klinkt steeds verder in en vraagt een continue aanpassing van het waterpeil. Daarbij komt ook nog kooldioxide vrij, en dat is niet goed voor de klimaatverandering. Daar kun je dus niet eindeloos mee doorgaan.”

Zeventiende-eeuwse stadjes

Wat dan wel? Om die vraag te beantwoorden moet je volgens Hajer eerst verder uitzoomen. Groot denken dus, in de stijl van Cornelis Lely en de zijnen. Een mooi voorbeeld daarvan vindt Hajer het Deltaprogramma, opgezet op advies van de Deltacommissie onder leiding van oud-minister Cees Veerman, dat nu een brede toekomstvisie over water moet ontwikkelen. Nederland zal, als laag liggende delta, altijd waakzaam moeten blijven. Kleine veranderingen in het landschap hebben grote gevolgen.

„Een van de gevaren die de Deltacommissie heeft gesignaleerd is het watertekort in het noorden van het land in tijden van langdurige droogte. Droogte komt steeds vaker voor. De commissie stelt voor om dat tekort te bestrijden door het IJsselmeer in te richten als een waterreservoir. Dan moet het waterpeil wel met anderhalve meter omhoog. Dat heeft grote gevolgen, niet alleen voor de infrastructuur maar ook voor onze cultuurgeschiedenis. De dijken moeten verhoogd en dan komt de kwaliteit van zeventiende-eeuwse stadjes als Enkhuizen ter discussie te staan.”

Het Planbureau onderzocht in zijn analyse van een ‘klimaatbestendig’ Nederland of het, door nog één stap verder te gaan, mogelijk is om aan een verhoogde waterstand in het IJsselmeer te ontkomen. Bijvoorbeeld door een deel van het water dat via de Rijn Nederland binnenkomt in zo’n droge periode naar het noorden door te sluizen. Maar dan wordt het probleem verplaatst naar het westen van Nederland. Juist in droge periodes is het water in de Nieuwe Waterweg ook hard nodig als buffer tegen de verzilting. Het zoute zeewater moet worden tegengehouden door er voldoende zoetwater tegenin te pompen.

Het Planbureau bedacht alternatieven, zoals een drempel in de monding van de Nieuwe Waterweg, of zelfs een gedeeltelijke afsluiting in extreme situaties. Zo’n alternatief blijkt haalbaar en veel goedkoper.

„Zo hebben we de Nieuwe Waterweg in verband gebracht met het IJsselmeer”, zegt Hajer tevreden. „Als je alleen naar deelgebieden kijkt, moet je de oplossing ook in dat gebied zelf vinden. Als je het water beschouwt als één groot systeem, kun je iets nieuws bedenken.” Volgens Hajer mag daarbij de economische betekenis van de Nieuwe Waterweg niet uit het oog worden verloren. Wat zijn de gevolgen voor de Rotterdamse haven? Maar vanwege de kans dat de zeespiegel stijgt door klimaatverandering is het toch al dringend nodig om eens goed naar de haven te kijken. Een mooie uitdaging voor het Deltaprogramma, vindt Hajer.

Zo schakelt de directeur van het Planbureau eenvoudig tussen Enkhuizen en de Nieuwe Waterweg, tussen cultureel erfgoed en economische activiteit. In De energieke samenleving, een recente Planbureaustudie, schrijft Hajer dat het niveau van ingrijpen is mee gegroeid met de problemen: „van lokale hinder door stank en geluid naar nationale kwaliteitsnormen voor lucht, water en bodem, naar internationale afspraken over het beheer van de Rijn en de Noordzee, naar wereldtoppen over klimaat en biodiversiteit”.

Hajer beschouwt klimaatverandering en het ontwikkelen van een sterke economie als de „zware jongens” in de strategische beslissingen over de toekomst”. Niet de vergrijzing, waar zo veel over wordt gesproken. Die is, zegt hij, nog relatief eenvoudig op te lossen. Het vraagt weliswaar om lastige politieke keuzes, maar de keuzes zijn duidelijk. „Er zijn nog knoppen om op te drukken. Je kunt mensen langer laten werken, meer mensen laten werken of andere mensen laten werken.”

Klimaatverandering is een stuk ingewikkelder. Of het nu gaat om een verhoogde dijk bij Enkhuizen, de haven van Rotterdam of de polder bij Meije, in alle planologische besluiten speelt het klimaat een rol. Steeds is het de vraag hoe je een samenleving vormgeeft met een economie die blijft groeien zonder daarbij meer natuurlijke hulpbronnen te gebruiken. Eigenlijk heeft nog niemand het antwoord, volgens Hajer, ook de overheid niet. Panklare oplossingen bestaan niet.

„De grafiekjes over een reductie van broeikasgassen met 80 tot 95 procent maken we met verve”, zegt Hajer. „Maar als je klimaatverandering zo blijft schetsen, geef je burgers en bedrijven het gevoel dat je ze iets afneemt. Het wordt een verhaal van teloorgang, waar de fut uit is.”

Daarom moet klimaatverandering weg uit de sfeer van het milieubeleid, met een overheid die door steeds strengere regels de problemen wil oplossen. Zeker na de mislukte klimaatconferentie in Kopenhagen in 2009, waar volgens Hajer duidelijk werd dat er voorlopig geen klimaatverdrag zal komen. Klimaatbeleid moet in verband worden gebracht met de economie. Hoe gaan we op een schone manier ons geld verdienen? Vervang het woord ‘klimaatverandering’ door ‘vergroening van de economie’, luidt Hajers advies, dan leg je uit dat er sprake is van welbegrepen eigenbelang.

De overheid moet de durf hebben om heldere doelen te stellen en vervolgens het bedrijfsleven de prikkels geven om die doelen te bereiken. Green deals, maar dan niet een handjevol zoals begin deze maand werd afgesproken. Bedrijven willen wel, weet Hajer. Energiemaatschappij Eneco is een reclamecampagne begonnen onder het motto ‘samen gaan we voor duurzaam’. Chemieconcern DSM en voedingsbedrijf Unilever presenteren zichzelf met een ‘groene’ bedrijfsvoering en de ING pleitte vorige maand in een rapport voor een investering van 100 miljard euro tot 2020 om in Nederland meer ‘hernieuwbare energie’ te produceren. Zij beseffen volgens Hajer dat Nederland het zich niet kan permitteren om te zeggen: we laten klimaat even liggen omdat het ons op dit moment te duur wordt.

„Als we dat zouden doen, prijzen we onszelf uit de markt”, denkt Hajer. „Kijk bijvoorbeeld naar China. Dat land denkt na over kolencentrales in termen van volksgezondheid – net als wij in de jaren zestig. China zal niet met zijn oude kolencentrales stoppen om het klimaat te redden, maar omdat ze ongezond zijn. Daarom is de Chinese economie nu in rap tempo aan het ‘vergroenen’. De Chinezen ontwikkelen een hightech industrie die de motor wordt van hun economische model. Ze knutselen niet langer alleen ons speelgoed in elkaar, maar bouwen ook hoogwaardige technologische producten. Wij dreigen straks niet alleen onze consumptiegoederen uit China te importeren, maar ook onze productiemiddelen. Dat kunnen Europa en de Verenigde Staten zich helemaal niet veroorloven.”

Het lastige is dat klimaatbeleid verzet oproept. Het kost veel geld, zonder zichtbaar resultaat op de korte termijn. Deze zomer vroeg Kamerlid Richard de Mos (PVV) aan het kabinet hoeveel zeespiegelstijging en temperatuurstijging tot nu toe zijn voorkomen met al dat beleid. Hij verwoordt een gevoel dat ongetwijfeld bij veel Nederlanders bestaat. Zij accepteren niet zomaar meer de autoriteit van het gezag, van de overheid noch van de wetenschap. „De tijd dat mensen keurig wachtten tot ze door bestuurders werden geïnformeerd, is voorbij”, aldus Hajer. „Assertieve burgers googelen tegenwoordig op internet hun kennis bij elkaar. Een overheid die daar geen rekening mee houdt, maakt zichzelf bijzonder kwetsbaar. De energie die in de samenleving zit, organiseert zich heel snel tegen de overheid.”

Gasveld

Een mooi voorbeeld daarvan vindt Hajer wat er in Barendrecht is gebeurd. Daar presenteerden de ministers Van der Hoeven (Economische Zaken, CDA) en Cramer (Milieu, PvdA) op een tumultueuze informatieavond in 2009 een plan voor de opslag van kooldioxide in een leeg gasveld. Dat lag precies onder twee woonwijken. Overheid en burger praatten volledig langs elkaar heen en uiteindelijk moest de overheid het plan afblazen. Van de weeromstuit weigerden daarna ook de Groningers akkoord te gaan met de opslag van kooldioxide in gasvelden in hun regio.

De overheid dacht vanuit het algemeen belang, de Barendrechters waren vooral geïnteresseerd in de gevolgen voor hun directe leefomgeving. Hajer erkent dat het niet eenvoudig zou zijn geweest om beide standpunten te verenigen. Maar vaak kan dat juist wel. Hij illustreert dat aan de hand van de moeizame discussie over windmolens in de buurt van Urk. „Er is berekend dat daar veel wind zit. Het is dus een ideale plek voor een windmolenpark. Maar straks wordt die wind economisch geoogst door de boeren in de Noordoostpolder. De vissers uit Urk, die tegen de molens aan moeten kijken, zijn in dit verhaal vergeten. Zij verzetten zich. Maar windmolens zijn niet per se lelijk, zeker niet als je ze ziet draaien en weet dat jij er geld mee verdient. Als een deel van de opbrengst van het windmolenpark ten goede zou komen aan Urk, wordt het ineens iets positiefs.”

Zo keren de gedachten op het terrasje in Meije toch weer terug naar de polder. De omzwervingen langs zonnepanelen in China en een mislukte klimaattop in Kopenhagen waren onvermijdelijk voor het beantwoorden van die ene vraag: hoe voorkom je dat het hart van de Randstad kapot gaat door eindeloos grondwater weg te pompen?

„Als je de polder beziet vanuit de natuur en het water, kun je beter stoppen met de bemaling en het water meer ruimte geven”, zegt Hajer. Hij wijst naar het noorden, waar de Nieuwkoopse Plassen liggen. „Voor de natuurontwikkeling in dit gebied en voor de waterhuishouding zou het goed zijn als die plassen werden uitgebreid. In Meije is daarvoor ruimte beschikbaar.”

De dorpelingen zien dat anders, in bescheiden posters aan de ramen roepen ze op tot verzet tegen ontpoldering. De overheid zou de inwoners van Meije niet alleen iets moeten afnemen, maar ook iets positiefs in het vooruitzicht moeten stellen. Want groot denken begint met het overtuigen van een kleine gemeenschap.