God-Jezus-Klaas

Klaas Hendrikse (1947) is een schrijvende dominee in Middelburg en Zierikzee. Zijn boek God bestaat niet en Jezus is zijn zoon verschijnt komende week. „Als je hoort wat ik zeg en de kerkorde erop naslaat, dan moet ik de kerk uit.” tekst Bas Blokker foto Ringel Goslinga

Scheiding

„Mozes is altijd mijn maatje geweest. Zijn omzwervingen in de woestijn heb ik bijna letterlijk herkend. De wanhoop. De oases. Het schelden op God. Toen mijn vrouw Dea en ik scheidden, heb ik het allemaal gevoeld. Het proces van losmaken en terugverlangen naar – hoe heet het ook weer, daar is een uitdrukking voor – de vleespotten van Egypte. Het weeë gevoel van pijn, schuldgevoel, de steken in je hart als je aan de kinderen denkt. Ik heb dat allemaal op dat woestijnverhaal gelegd. Ik zag mezelf lopen. Prachtig, prachtig. Of, prachtig? In ieder geval levensecht. Nou, dan kun je er over preken, hoor!”

Kerkorde

„Mijn tegenstanders in de Protestantse Kerk in Nederland hebben gelijk. Als je hoort wat ik zeg en de kerkorde erop naslaat, dan moet ik de Kerk uit. Óf je verandert de orde, óf ik moet eruit. Het landelijk bestuur van de PKN heeft geen van beide gedaan. Typisch de Kerk.

„Mijn gemeenten in Zierikzee en Middelburg stonden vierkant achter mij, dan is het vrijwel onmogelijk een predikant de Kerk uit te krijgen. Als ik een katholieke priester was geweest, had ik allang een simpele marsorder uit Rome gekregen. Net als Gijsen: hup, naar IJsland met jou.”

Ramptoerisme

„De Koorkerk in Middelburg zit elke zondag vol, tweehonderd gelovigen. Zierikzee, een kleinere gemeente, is ook goed gevuld. Sinds mijn vorige boek, Geloven in een God die niet bestaat, komen er veel mensen die ik nooit eerder heb gezien. Ramptoerisme, zeggen ze dan.

„Echte nieuwkomers in de kerk, mensen zonder achtergrond in het geloof, zie je haast niet. En gelijk hebben ze. De kerk is zo onaantrekkelijk voor onbelaste bezoekers. Iedere zondag het orgel. Altijd die toga. Wees toch minder kerk, anders blijven de gelovigen weglopen.

„Er zijn zoveel mensen die stuurloos ronddwalen. Als predikant kan ik bij hen kennelijk de juiste knoppen indrukken. Of ik ook psychiater had kunnen worden? Dat trekt me niet. Zestien afspraken per dag. Voor iedereen drie kwartier. Ik heb als predikant alle tijd. En ik ben gratis. Als ik in het ziekenhuis een stervende heb bezocht, ga ik daarna uitwaaien op de boulevard.”

Toga

„Toen ik in Zierikzee begon, preekte ik in mijn gewone kleren. Het is een heel vrijzinnige gemeente, ver van de PKN af, maar na twee weken kreeg ik bezoek: wij willen toch graag een aangeklede dominee. Mijn schoonmoeder heeft toen een toga voor me genaaid en die heb ik nog altijd. Nu is hij me dierbaar. Ik sta ook op de kansel. Puur omdat het een goeie plek is om te spreken. Maar het mag niet gaan lijken op: zo zit het, ik weet het antwoord.”

Dood

„Deze week had ik een moeilijke uitvaart. Een man van net 50, veel te jong, veel te levenslustig. Binnen anderhalve maand van buikpijn naar de dood. Hij kwam uit een gereformeerd nest, maar had afstand genomen van God. Hij herkende in mij een geestverwant en vroeg of ik de uitvaart wilde organiseren én er predikant wilde zijn. Ga er maar aanstaan: ik schrijf ‘dood is dood’ en dan toch als dominee voor die mensen spreken.

„Voor de meeste gelovigen ga ik daarin te ver. Ook voor mijn eigen gemeente. Ook voor Dea. Zij willen een komma plaatsen achter de dood, ik zet er een punt.”

Belijdenis

„Ik heb samen met Dea theologie gestudeerd in Utrecht, een bolwerk van de Gereformeerde Bond. Ik heb het hele theologische pakket gekregen bij mijn opleiding. Exegese, hermeneuse, applicatie. Hoeveel zout er in het meer van Gennesaret zat, en of daar dan wel vissen konden zwemmen. Dat zijn lesjes, dat interesseert de gelovigen geen bal.

„Toen ik ging studeren, was ik er al van overtuigd dat God niet bestaat. God is ook maar een woord. En dat geldt even goed voor Allah. Mijn belijdenis heb ik op latere leeftijd gedaan. De predikant stelt vragen, jij hoeft alleen maar ‘ja’ te zeggen. Ik weet niet meer welke vragen ik kreeg. Echt niet. Mensen zijn achterdochtig: hoe ben jij de Kerk dan binnengekomen? Misschien heb ik die vragen verdrongen. Maar ik heb niet gelogen. En als ik ze vrijzinnig mag uitleggen, kan ik nog altijd ‘ja’ antwoorden op zulke vragen.”

Kerkvolk

„Met mijn broers en zus zat ik zondags op de tafel voor het raam te kijken naar het kerkvolk dat breed uitwaaierde op weg naar de kerk in Groot-Ammers. Als mijn vader binnenkwam, maakte hij er wel een opmerking over. Mijn vader was een rasatheïst. En pappa had natuurlijk altijd gelijk. Maar als ik bij vriendjes thuis kwam, zag ik al die vreemde en fascinerende rituelen en dacht ik: als pappa zegt dat God niet bestaat, waarom denken dan zoveel mensen dat hij wel bestaat?”

Kwitanties

„Ik studeerde business administration aan Nijenrode en reed als studiebaantje met kwitanties rond in de Alblasserwaard. Vaak kleine boeren die nauwelijks het hoofd boven water konden houden. De boer werkte op het land, de vrouw was alleen thuis en met hen heb ik veel gepraat aan de keukentafel. Die mensen waren heel gelovig. ‘Het heeft zo moeten zijn’, zeiden zij bij tegenslagen. Ik heb dat nooit goed gesnapt. Voor mij ligt het niet in Gods hand, maar zijn we speelbal van de omstandigheden, leven we in een volwassen afhankelijkheid. Maar ik voelde dat het echt was, wat zij geloofden. En dat het voor hen werkte.”

Harry Kuitert

„Ik heb bij mezelf wel eens gedacht, als Harry Kuitert niet had bestaan, had jij, Klaas Hendrikse, dan je boek kunnen of dúrven schrijven? Ik kon zeggen: dood is dood, want hij had het al gezegd. Hij heeft het ijs gebroken. Hij heeft de klappen opgevangen. Ik kon op zijn schouders staan.

„Vorige week stond er een artikel in Trouw over zijn meest recente boek. Allemaal jonge theologen die hem van tafel veegden: Kuitert en zijn afrekentheologie zijn passé. Dat deed mij pijn aan de ogen.”

Fut

„In de jaren tachtig kwamen Dea en ik als predikantenechtpaar naar Zeeland. Zij stond in Middelburg, ik in Zierikzee. Zij trof een zwaar ingezakte gemeente aan. De kerk was leeg gepreekt. Door preken zonder fut. Fut zit erin als het over jou en mij en hier en nu gaat. En dan bedoel ik niet de actualiteit; de krant komt de kerk niet in. God en Jezus zitten er altijd in, hoor. Nou, God altijd. Jezus niet altijd.”

Jezus

„Jezus was een ketter. Dat bedoel ik als compliment. Hij draait het steeds weer om. Hij stelt steeds weer vragen als zijn discipelen antwoorden willen. Hij zegt altijd: jullie kunnen het net zo goed als ik. En hij laat zich niets gezeggen door het godsdienstig establishment.

„Lachen. Ik moet denken aan mijn uitgever. We keken samen naar het titelblad. God bestaat niet en Jezus is zijn zoon. Of er een komma voor ‘en’ moest. Of ‘en’ op de volgende regel moest komen. Nee, zei mijn uitgever, het moet zo wezen:God bestaat niet enJezus is zijn zoon Met de auteursnaam eronder krijg je dan dit rijtje: God-Jezus-Klaas.”

Toon Tellegen

„Ik begin mijn dienst steevast met een verhaal van Toon Tellegen. Ik verzamel de kinderen om mij heen en lees voor van de mier, de eekhoorn en de olifant. Ze snappen het misschien half, maar achter hun rug zie ik de hele kerk glimlachen. Zo wordt de sfeer gemaakt.

„Het is de kunst om de verhalen af te stemmen met wat ik wil vertellen in de preek. Ik scan die hele Tellegen-omnibus op wat ik kan gebruiken. Dat is voor mij ook een Bijbel geworden.

„Ik heb het hemzelf verteld. Hij zat te signeren, ik zei: Meneer Tellegen, ik begin elke dienst met een verhaal van u. Hij reageerde nauwelijks. Hij was niet helemaal aanwezig. Heb ik ook weer van geleerd.”

Ex ex

„Mijn ex is nu mijn ex ex. Zij heeft een appartement in het centrum van Middelburg, vijf minuten fietsen hier vandaan. Ik heb mijn eigen huis, mijn tuintje. Ik zou niet weer in de lucht willen wonen, zij wil het centrum niet uit. Twintig jaar geleden zijn Dea en ik uit elkaar gegaan. Maar we zijn altijd van elkaar blijven houden. Ook toen zij met een andere man getrouwd was, ook toen ik andere partners had. Twee jaar geleden hebben we dat, een beetje tot onze verwondering, opnieuw ontdekt.”

Aanstoot

„Ik kan op zondag nog altijd mijn auto niet wassen. Dat is het laatste restje Alblasserwaard in mij. Het interesseert mij zelf niet, maar ik weet dat het anderen interesseert. Dus zet ik op zondag geen ladder tegen de voorkant van het huis om het dak te doen. Maar ik ga wel de binnenkant van het schuurtje schilderen. Daar heeft niemand last van. Geen aanstoot geven. Dat gebood mijn vader ons al.”