Escorterend voorraadschip

Met de Superb heeft Skoda een auto in huis die groter en goedkoper is dan de Passat van moeder Volkswagen. Maar er zijn grenzen.

fotografie: Lars van den Brink onderwerp: Skoda Superb Combi gefotografeerd bij S-Point Amsterdam. Op de foto verkoopadviseur Cedric van der Bijl

„In de beperking toont zich de meester”, was een van de favoriete oneliners van de Duitse dichter Goethe (die overigens Von Goethe heette, maar dat lijkt iedereen te zijn vergeten). Lange tijd was Skoda een merk met beperkingen, maar wie de specificaties van de Super Combi V6 4×4 tot zich neemt – een 3,6 liter zescilinder van 260 pk, zestraps Direct Shift Gear automatische versnellingsbak, vierwielaandrijving en een top van 250 kilometer per uur – zal moeten erkennen dat het met de beperkingen binnen Skoda tegenwoordig wel meevalt.

De Superb is het vlaggenschip van de Skoda-lijn. Met de Combi-versie als escorterend voorraadschip. Amerikanen daargelaten, heb ik zelden in zó’n grote stationcar gereden; hij heeft een grotere wielbasis dan de Volkswagen Passat en dat vertaalt zich in exorbitant veel binnenruimte. Herinnert u zich dat reclamespotje van die vier kersverse grootouders, die arriveren bij het ziekenhuis waar hun eerste kleinkind is geboren? Uit de kofferbak van een Rover 75 haalt de ene opa een wat lullig uitgevallen teddybeer, terwijl de andere uit zijn Skoda Superb een pluchen olifant tevoorschijn tovert die groter is dan opa zelf. Meestal wordt in reclameboodschappen nogal overdreven, maar die twee meter hoge olifant past gewoon écht in de Superb. De bagageruimte is immers immens. Standaard meet het laadruim al 633 liter en als de achterbank naar beneden gaat kan er bijna 1.900 liter mee. Het verklaart deels waarom de Superb een steeds grotere rol speelt in de taxiwereld.

Het andere deel van die verklaring heeft met de interieurruimte te maken. Passagiers op de achterbank kunnen letterlijk met de benen over elkaar zitten en hebben hetzelfde comfort als in een verlengde 7-Serie van BMW. De Superb is weliswaar nogal stevig tot hard geveerd en gedempt, maar de lange wielbasis van 2,76 meter (net zo lang als van een Mercedes E-klasse) zorgt toch voor een comfortabel geheel. Jammer dat tegenover die enorme beenruimte achterin een nogal nauwe ‘voetenbak’ voor de chauffeur staat. Ik zat in elk geval geregeld met mijn rechterknie tegen het harde kunststof van de middenconsole geklemd, wat op lange ritten kan storen.

De zescilinder is niet het toppunt van verfijning, hij is wel soepel en sterk maar er zijn modernere zespitters te vinden. Verder had ik de topversie mee, met vierwielaandrijving. Dat was te merken tijdens inparkeren, want dan gaat de aandrijflijn een beetje wringen. De vraag is sowieso wat je in Nederland met vierwielaandrijving en een enorme zescilinder moet, ook al vanwege de superbe dorst; ik haalde met heel gewoon rijgedrag maar net één op acht en dat dat zuiniger kan, bewijzen de lichter gemotoriseerde versies. Er is al een Superb met een 1,4 liter TSI-motor, die weliswaar niet de stenen uit de straat trekt, maar waarmee 1 op 14 wel haalbaar is. Om van de dieselversies nog maar te zwijgen, die zijn nóg zuiniger.

Prestigeladder

Een instap-Superb Combi kost net iets meer dan de helft van deze V6 4×4-versie. En dan komen we weer uit bij Von Goethe en diens beperking-opmerking. Die had Skoda zich bij de Superb toch een beetje ter harte moeten nemen; een topmodel met vierwielaandrijving en een enorme V6 is een beetje te veel van het goede. Het is overdaad. Zelfs moeder Volkswagen, toch een paar stapjes hoger op de prestigeladder, verkoopt geen indrukwekkende aantallen van de Passat met dezelfde motorisering. Skoda zou er goed aan doen zich met de Superb te richten op leaserijders of particulieren, die een lel van een auto willen en daar hooguit 35 mille voor over hebben. Zulke Superb Combi-versies zijn er legio; een 1.8 TSI met 160 pk is al een heel fijne versie en Skoda mag ook een aantal goed presterende (Volkswagen) diesels leveren. Voor net iets meer dan 33.000 euro heb je dan een heerlijk ruime, goed rijdende stationcar. Dat op de meeste versies de bijtelling 25 procent is, doet bij zo’n prijs nauwelijks ter zake.

    • Guus Peters