En hoe wéét je dat dan?

Taalkunde In sommige talen kun je niets meedelen zonder te zeggen hoe je het weet. ‘Evidentialiteit’ heet dat en Alexandra Aikhenvald is de expert op het gebied.

Berthold van Maris

wetenschapster en auteur Alexandra Aikhenvald (taal en cultuur studies) foto van Ivan Put put

Het Tariana, een taal in de Amazone, heeft vijf manieren om te zeggen ‘het heeft geregend’. Als degene die deze zin uitspreekt het zelf heeft zien regenen, zegt hij: ‘Iya dihwa-ka’. Letterlijk is dat: ‘regen viel.’ Maar als hij het alleen maar heeft hóren regenen, geeft hij het werkwoord een andere uitgang mee. Dan wordt het: ‘Iya dihwa-mahka’. Als hij alleen de gevolgen van het regenen heeft gezien – waterplassen op straat bijvoorbeeld – en daaruit concludeert dat het geregend heeft, gebruikt hij weer een andere uitgang: ‘Iya dihwa-nihka’. Heeft hij het van horen zeggen dan wordt het: ‘Iya dihwa-pidaka’. En als het alleen maar een veronderstelling is, gebaseerd op algemene kennis van de wereld (het zal wel geregend hebben, want in deze tijd van het jaar regent het altijd) dan is het: ‘Iya dihwa-sika’.

Taalonderzoekster Alexandra Aikhenvald publiceerde in 2003 een gedetailleerde grammatica van dit Tariana, dat nog maar door 95 mensen gesproken wordt. Maar ze werd vooral bekend met haar boek Evidentiality (Oxford University Press, 2004), over het verschijnsel dat je in sommige talen met behulp van uitgangen (of iets vergelijkbaars) moet aangeven wat de bron van informatie is. Heb je het zelf gezien, heb je het van horen zeggen, concludeer je het uit andere dingen die je weet – dat soort dingen. In haar boek bespreekt Aikhenvald honderden talen waarin dit gebeurt.

“Een kwart van alle talen heeft evidentials”, vertelt ze in haar werkkamer aan de universiteit van Keulen. Ze werkt daar tijdelijk in het kader van de Humboldt Research Award die ze heeft gekregen, een belangrijke wetenschapsprijs die maar weinig taalonderzoekers te beurt viel.

Aikhenvald verbleef lange tijd bij de Tariana-indianen. Ze liet zich zelfs adopteren door een van hen. “Het Tariana is knap ingewikkeld”, zegt ze. “Het heeft tien verschillende gebiedende wijzen en, zoals veel Amazone-talen, een heel uitgebreid systeem van naamwoordklassen.” Waar het Nederlands twee naamwoordklassen heeft (‘de-woorden’ en ‘het-woorden’) heeft het Tariana er tientallen. “En dan zijn er dus die evidentials. Je hebt er echt veel tijd voor nodig, om dat allemaal uit te zoeken en te doorgronden. Ik kon er soms ’s nachts van wakker liggen: waarom zei ze dat op die manier? En dan opeens begreep ik het.”

Omdat vrijwel alle taalonderzoekers zelf een Indo-Europese taal spreken en Indo-Europese talen geen evidentialiteit hebben, wordt het verschijnsel in de grammatica’s nogal eens onvolledig behandeld. In het Tariana wordt evidentialiteit uitgedrukt door uitgangen die achter werkwoorden kunnen staan, maar ook achter andere woorden zoals vraagwoorden. In veel andere talen zijn de evidentials kleine bijwoordjes, waarvan je de betekenis als buitenstaander gemakkelijk kunt onderschatten.

In de eerste grammatica’s van het Quechua (de taal van de Inca’s en nog steeds een belangrijke taal in de Andes) werden de evidentials compleet over het hoofd gezien. Men dacht dat het ‘versieringen’ waren, ‘zonder veel betekenis’. Aikhenvald: “Gewoon omdat de Indianen, als je er naar vroeg, zeiden: o, dat is om wat je zegt mooier te maken. Dat kun je vergelijken met een spreker van een Germaanse taal die over lidwoorden zegt: het betekent niet zo veel, maar het klinkt gewoon beter als je die woorden gebruikt.”

Begin twintigste eeuw heeft de Amerikaanse antropoloog Franz Boas, gespecialiseerd in een aantal Noord-Amerikaanse talen, de evidentials pas echt op de kaart gezet en gedefinieerd. In iedere taal kan, als de spreker dat wil, de bron van informatie gespecificeerd worden: ‘het gerucht wil dat...’, ‘ik heb met eigen ogen gezien hoe...’, ‘ik neem aan dat...’. Maar in talen met evidentials is het geen kwestie van kunnen maar van moeten: je moet het grammaticaal coderen, net zoals je in het Nederlands verplicht bent om het werkwoord een werkwoordstijd mee te geven. De grammatica dwingt je daartoe. Soms bestaat zo’n evidentials-systeem uit slechts twee mogelijkheden: een voor wat je direct hebt waargenomen en een voor informatie die indirect tot je is gekomen. Soms zijn er drie, vier of zelfs, zoals in het geval van het Tariana, vijf mogelijkheden.

Er zijn talen die alleen evidentials hebben in de verleden tijd. “Dat is ook wel logisch”, vindt Aikhenvald. “Gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden lenen zich er natuurlijk het beste voor. Toekomstige gebeurtenissen van evidentials voorzien ligt minder voor de hand. Maar in het Tariana kan het. Al kom je het maar zelden tegen. Het probleem is: je kunt je informanten niet vragen: kun je in de toekomende tijd ook evidentials gebruiken? Ze zullen je aankijken alsof je gek bent. Je moet het toevallig tegenkomen. We hadden het op gegeven moment over een antropologe die zou komen, en toen zei iemand: ‘ze zal komen’, met een ‘rapporterende’ evidential achter het werkwoord, dus: ‘dat heeft men verteld’. Daar werd ik even heel blij van. Daarna probeerde ik het zelf ook te gebruiken en keek ik hoe men daarop reageerde.”

Het Nederlands kan met ‘zou(den)’ iets doen wat op evidentialiteit lijkt: ‘Een groot deel van de stad zou al in handen zijn van de rebellen.’ ‘Zou’ betekent hier ‘volgens berichten’. Of die berichten kloppen, wordt in deze zin nadrukkelijk in het midden gelaten. Maar dit ‘zou’ is geen echte evidential, want je bent in het Nederlands niet verplicht om die vorm altijd te gebruiken als je je op berichtgeving baseert. Als je in de krant hebt gelezen dat de beurskoersen gekelderd zijn, mag je gewoon zeggen: ‘De beurskoersen zijn gekelderd.’ Ook het Duits en Frans kennen dergelijke semi-evidentials: ‘er sei krank’, hij zou ziek zijn, of ‘il aurait dit...’, hij zou gezegd hebben...

Het gebrek aan echte evidentials maakt zulke talen minder exact, in de ogen van mensen die evidentials vanzelfsprekend vinden. “De Tariana-Indianen zelf zeggen vaak over blanken dat het leugenaars zijn”, zegt Aikhenvald. “Allereerst omdat ze vinden dat de regering nooit de waarheid vertelt – en daar moet ik ze gelijk in geven. Maar ook omdat blanken nooit zeggen hoe ze iets weten. Die nuance ontbreekt. Als iemand in het Portugees tegen hen zegt ‘de Amerikanen zijn op de maan geweest’, zonder de toevoeging ‘dat wordt gezegd’, dan is hun reactie: o ja, was jij daarbij? Zo kunnen er allerlei misverstanden ontstaan. Als ik vertel dat ik uit Australië kom, kan de ander zeggen: ‘o, uit Australië!’. In het Tariana zeg je dan: ‘o, uit Australië zeg je!’. Dat kan onbedoeld wantrouwig overkomen: je zegt het, maar is het ook waar? Maar in hun ogen is het alleen maar een vorm van precisie.”

Wat gebeurt er als iemand die van huis uit een taal mét evidentials spreekt, een andere taal leert die géén evidentials heeft?

“De jongere indianen in dat gebied spreken ook een lokale variant van het Portugees. Omdat het Portugees van zichzelf geen evidentials heeft, proberen zij er evidentials in te creëren. Dat gebeurt min of meer spontaan. Het uit zich in kleine woordjes die voortdurend in hun zinnen terugkeren: diz que, ze zeggen dat; parece, het schijnt; escutei, ik hoorde.

“Stel je voor dat er op een affiche een voetbalwedstrijd wordt aangekondigd. Een indiaan leest dat. Hij zegt dan: ‘ze gaan voetballen, schijnt het.’ Hij bedoelt daarmee te zeggen dat het alleen maar zijn conclusie is op grond van wat hij op dat affiche ziet staan. Maar als je dat niet begrijpt, klinkt het weird. En overdreven omslachtig. De Brazilianen die Portugees als moedertaal spreken, kijken daarop neer. Die zeggen: ‘waarom zeggen die mensen toch de hele tijd ze zeggen dat?’ Maar het is ook heel aanstekelijk hoor. Op gegeven moment begon ik zelf ook zo te praten in het Portugees. Waarop een vriendin uit Sao Paolo tegen me zei: ‘Sasha, wat is dat voor raar Portugees?’

Er zijn delen in de wereld waar evidentials nauwelijks voorkomen: Europa, Afrika. En er zijn delen waar ze heel algemeen zijn: Amerika met name, maar ook grote gebieden in Azië en Australië. Hoe zit dat?

“Omdat evidentials zo aanstekelijk zijn, is het een grammaticaal verschijnsel dat gemakkelijk overspringt van de ene taal naar de andere. Vandaar dat het zich vaak over grote gebieden verspreid heeft – en vaak over talen die tot heel verschillende taalfamilies behoren. Zo is het bij het Tariana ook gegaan, denk ik. Het Tariana heeft het idee overgenomen van het Toekano, een taal die tot een andere taalfamilie behoort.

“Terwijl het Tariana nog maar door 95 mensen gesproken wordt, heeft het Toekano zo’n tienduizend sprekers – wat voor dat gebied een ongelofelijk groot aantal is. Het Toekano is de lingua franca in dat deel van de Amazone. Bovendien doen ze daar aan linguïstische exogamie: je mag alleen trouwen met iemand die een andere taal spreekt dan jij. Tariana-sprekenden trouwen daarom meestal met Toekano-sprekenden. De families die zo ontstaan, zijn in wezen meertalig, natuurlijk.

“Ze wonen met meerdere families bij elkaar in een longhouse, een groot gemeenschapshuis waarin iedere familie zijn eigen hoek heeft. De kinderen groeien op met meerdere talen. Zoals bekend is dat een situatie waarin er nogal wat van de ene taal op de andere taal kan overspringen. Wat het evidentials-systeem betreft lijkt het Tariana veel meer op het Toekano dan op andere aan het Tariana verwante talen in die regio. Sommige van die evidentials zijn ontstaan uit werkwoorden. De niet-visuele evidential is een uitgang die duidelijk is afgeleid van het woord voor ‘horen’. En de evidential voor ‘ik veronderstel’ heeft zich hoogstwaarschijnlijk ontwikkeld uit een al bestaande uitgang die ‘misschien’ betekende. Het is geleidelijk ontstaan. Toch is het een mooi sluitend systeem van uitgangen geworden.”

U schrijft in uw boek dat het voor de sprekers van het Tariana heel belangrijk is om zorgvuldig en precies te spreken.

“Ze uiten zich bij voorkeur alleen in een taal die ze volledig beheersen. Omdat ze alleen in die taal precies kunnen zijn. Als ze zich toch genoodzaakt zien om een taal te spreken die ze niet goed beheersen – het Portugees bijvoorbeeld – doen ze dat met heel veel tegenzin. In hun eigen taal is het ook heel belangrijk dat de evidentials kloppen. Iemand die spreekt met rammelende evidentials, wordt niet serieus genomen.”

Als de evidentials niet kloppen krijg je toch gewoon kromme zinnen?

“Nee hoor, dat hoeft geen ongrammaticale zinnen op te leveren. Maar wel zinnen die gek klinken. Waarin duidelijk de verkeerde keuzes gemaakt worden. Bijvoorbeeld: iemand vertelt over iets alsof hij het zelf gezien heeft, terwijl de ander weet dat hij er helemaal niet bij was. Je kunt dat misschien vergelijken met iemand die ‘jij’ tegen je zegt, terwijl het ‘u’ zou moeten zijn.”

Waarom zijn evidentials in sommige talen zo belangrijk, terwijl andere talen er helemaal niet aan doen?

“Ja, dat zouden we graag willen weten. Ik kan daarover alleen maar speculeren. Het is opvallend dat evidentials vooral voorkomen in talen die door kleine gemeenschappen gesproken worden. Waarin het blijkbaar belangrijk wordt gevonden dat je steeds aangeeft op wat voor informatie je je baseert. De sociale code zegt daar: laat merken dat je zoveel mogelijk afgaat op wat je zelf hebt waargenomen, wees niet goedgelovig, neem alleen verantwoordelijkheid voor informatie waar je zeker van bent. Het zou mij niet verbazen als dat typerend is voor kleine gemeenschappen, waarin iedereen alles weet van iedereen.”

    • Berthold van Maris