De paradox van een bescheiden leidersrol

Vaak is Barack Obama de afgelopen drie jaar verweten dat hij geen krachtige leider is. Dat hij pas na lang aarzelen optreedt. En dan nóg alleen met halfbakken maatregelen.

Zijn buitenlands beleid zou laf zijn. Kijk maar hoe lang het duurde voor hij steun uitsprak voor de Arabische opstanden, zeggen zijn critici. En nog steeds ziet hij van sommige autoritaire leiders door de vingers hoe ze hun volk onderdrukken. Het ontbreekt Obama aan de moed, luidt de kritiek, om op de bres te gaan staan voor ‘Amerikaanse waarden’ – waarmee zijn tegenstanders democratie en vrijheid van meningsuiting bedoelen.

Maar langzaamaan beginnen de Amerikanen te merken dat de methode-Obama in de buitenlandse politiek soms toch vruchten afwerpt. Zie de manier waarop Osama bin Laden in Pakistan is gevonden en gedood. Zie ook de uitschakeling van Al-Qaeda-ideoloog Awlaki, vorige maand in Jemen. En zie de NAVO-operatie in Libië, die weliswaar zo’n zeven maanden duurde maar die toch maar heeft geleid tot de omverwerping van de dictatuur.

Na de dood van Gaddafi kreeg Obama zelfs lof van John McCain, zijn rivaal uit 2008. The New York Times noemde het slotstuk van het Gaddafi-bewind dat zich donderdag voltrok, „een overwinning van een nieuwe Amerikaanse benadering van oorlog” die onder Obama in de praktijk wordt gebracht: met weinig of geen grondtroepen, onbemande vliegtuigjes en als het even kan een grote rol voor Amerika’s bondgenoten. (En, kun je daaraan toevoegen, met als het zo uitkomt de bereidheid om het internationale recht te negeren.)

Obama geeft aan dat soort operaties de voorkeur boven grootschalige grondoorlogen. En dat is niet verrassend na de slechte ervaringen van de afgelopen jaren in Irak en Afghanistan. Nadat hij aanvankelijk extra troepen naar Afghanistan had gestuurd, is het militaire beleid nu ook daar gericht op afbouwen en terugkomen.

In plaats van de massale inzet van troepen, die vervolgens nog jarenlang in het oorlogsgebied blijven om de chaos te bedwingen en de samenleving weer op te bouwen, kiest Obama liever voor kleine en kort durende operaties, soms beperkt tot het uitschakelen van vijandelijke leiders. Vorige week stuurde hij in die geest honderd militairen naar Oeganda, om te helpen bij de opsporing van de wrede rebellenleider Joseph Kony die met zijn Verzetsleger van de Heer zoveel gruwelen heeft aangericht.

Maar er is meer aan de hand dan „een nieuwe Amerikaanse benadering van oorlog”. Het is niet alleen een militaire wending die Obama in gang heeft gezet, maar ook een politieke wending. Anders dan zijn voorganger George W. Bush is Obama zich sterk bewust van de beperkingen van de Amerikaanse macht – en zijn buitenlandse beleid heeft hij daaraan aangepast.

Hij moet ook wel. De economische crisis maakt nieuwe, grote militaire avonturen nu ondenkbaar. Bovendien is het Amerikaanse publiek er voorlopig niet meer voor te porren. En hoe machtig Amerika ook is, een belangrijke les van de Bush-jaren is dat zelfs een supermacht niet op eigen houtje de wereld kan veranderen.

Dat besef had ertoe kunnen leiden dat Amerika zich van de wereld had afgekeerd. In de VS bestaat nu eenmaal altijd een zekere hang naar isolationisme.

Maar Obama wil dat Amerika zijn dominante rol in de wereld niet opgeeft, hij wil er alleen een bescheidener invulling aan geven dan Bush. Dat is verstandig, maar in de praktijk wel een moeilijke figuur. Leiden vanuit de achterhoede, leading from behind, noemde een van zijn medewerkers deze paradox.

In Libië moest de president worden overgehaald om mee te doen. Sarkozy en Cameron liepen vervolgens voorop in de oorlog (al bleek al snel dat ze zonder Amerikaanse hulp niet ver waren gekomen). Het was een NAVO-operatie waarbij de Verenigde Staten wel een cruciale rol speelden, maar niet de hoofdrol. In het bondgenootschap is dat een grote verandering.

Tevreden constateerde Obama donderdag dat Amerika in Libië zijn doelen heeft bereikt zonder ook maar één militair op de grond. Ongetwijfeld zal hij ook in de volgende fase, als Libië moet worden opgebouwd, graag veel overlaten aan de Europeanen en de Libiërs zelf.

Maar kan deze ‘Obama-doctrine’ een model zijn voor de toekomst, zoals Washington nu hoopt? Zal Amerika zich vaker kunnen verlaten op de militaire inzet van zijn bondgenoten, nu die allemaal hard bezig zijn op hun defensie te bezuinigen? Dat valt ernstig te betwijfelen.

Op het eerste gezicht lijkt dit soort interventies succesvol. Maar of ze op langere termijn effectiever zijn dan de grote fiasco’s van Bush moet nog maar helemaal blijken. Vanaf nu ook in een bevrijd maar chaotisch Libië.

Juurd Eijsvoogel