De euro moet nú gered

En wederom kijkt de wereld naar Europa, waarvan de leiders morgen samenkomen om een weg uit het doolhof te zoeken dat zij gezamenlijk hebben geschapen. Twee jaar van halve maatregelen en politiek gemanoeuvreer in de ijdele hoop dat de eurocrisis zichzelf zou oplossen, hebben ervoor gezorgd dat de maatregelen die nu moeten worden genomen extremer zijn dan bij aanvang nodig zou zijn geweest.

De problemen zijn alleen maar groter geworden. De gevolgen van falen zijn dat ook. Niet alleen voor Europa: de eurocrisis heeft inmiddels wereldwijde implicaties. Vandaar dat de Verenigde Staten, Japan en de nieuwe mogendheden in de wereldeconomie nauwlettend meekijken. Nu de economische groei, mede door het vertrouwensverlies in de euro, hapert, en de door de kredietcrisis verzwakte financiële sector wankelt, is de euro een mondiale kwestie geworden. Niets doen is geen optie meer. De besmetting dreigt inmiddels Italië te bereiken en zelfs Frankrijk loopt het risico zijn essentiële hoogste kredietwaardigheid te verliezen.

Drie harde besluiten zijn vereist om de meest acute problemen het hoofd te bieden.

Ten eerste de erkenning dat Griekenland nooit in staat zal zijn aan zijn huidige verplichtingen te voldoen, die moet leiden tot een afwaardering van de Griekse schulden met een fors percentage.

Ten tweede moet de resulterende schade voor de Europese banken op een geloofwaardige manier worden berekend, inclusief het risico van een mogelijke afwaardering van de waarde van staatsschuld van de overige zwakke eurolanden én het risico van de gevolgen van een economische recessie. De 90 miljard euro aan bankenschade waar Europa nu op uitkomt, wordt op de financiële markten terecht weggehoond. Het twee- of drievoudige komt meer in de buurt. Om te voorkomen dat banken vervolgens aan hun vermogenseisen willen voldoen door niet hun vermogen op te krikken, maar om hun kredietverlening te beperken, moet de sector desnoods van overheidswege tot een kapitaalsinjectie worden verplicht. De Amerikanen deden dat over de gehele linie tijdens de kredietcrisis, dus waarom Europa nu niet?

Frankrijk zal zich dit niet kunnen permitteren. Dat betekent, ten derde, dat steunoperaties aan zowel banken als wankelende eurolanden via het Europese stabiliteitsfonds EFSF zullen moeten lopen. Het huidige effectieve kapitaal van dat fonds, 440 miljard euro, is daar onvoldoende voor. De meeste wegen voor het vergroten van de slagkracht van het EFSF zijn inmiddels afgesloten, of vergroten het besmettingsgevaar alleen maar. Als uiteindelijk de Europese Centrale Bank achter dit Fonds moet gaan staan, dan is dat weliswaar hoogst ongewenst en mag dit slechts tijdelijk zijn, maar veel andere opties zijn er niet meer. Dat krijg je als je een muntunie maakt waar wel het monetaire beleid is gecentraliseerd, maar het begrotingsbeleid niet. Duitsland kan en wil niet fungeren als ‘lener van laatste instantie’ in de begrotingssfeer, en dus valt dat vuile werk toe aan de centrale bank.

Het nemen van deze meest acute maatregelen is al moeilijk genoeg. De Europese Top van zondag zal waarschijnlijk worden gevolgd door een vervolgtop op woensdag. Daarna buigt, in de G20 van regeringsleiders, de rest van de relevante wereld zich er volgende weekeinde over. Die vraagt terecht om verder gaande, structurele oplossingen. Nu moeten de grondvesten worden gelegd voor een werkelijke muntunie, waarin ook het economische en begrotingsbeleid veel sterker zijn geïntegreerd. Duidelijk is geworden dat het niet half kan.

De euro is van levensbelang voor het Europese project. Met de teloorgang van de munt valt meer weg dan een gemeenschappelijke valuta. Het hele weefsel van de Europese eenwording dreigt dan te ontrafelen. Een gemeenschappelijke munt vergt een gevoel van lotsverbondenheid. Toon dat.