Alleen maar nette mensen in mijn huis

In het huis van Mariël Croon wordt de film Alleen maar nette mensen opgenomen. ‘We sluipen over de trap en bevriezen honderd keer per dag als op luide toon ‘stilte voor opname’ klinkt.’

Pief Weyman

Welke onverlaat heeft voor zijn verhuizing de hele straat afgezet”, briest mijn wederhelft bij thuiskomst tegen de buurman die aan onze keukentafel aan de cappuccino zit. „Ik kan mijn auto nergens kwijt!”

De buurman grijnst: „Dat is voor jou. Voor je film!”

Ineens begint te dagen waar wij twee maanden geleden ‘ja’ tegen hebben gezegd nadat een tengere gestalte rond etenstijd aan de voordeur belde. Argwanend stond ik hem door het luikje te woord. Ons huis als filmlocatie? Nee, daar deden wij niet aan, we waren net klaar met de restauratie en zaten niet te wachten op een raggende filmploeg.

„Jeroen Krabbé doet misschien mee”, glimlachte de man met zachte stem en Brabantse tongval.

„Bel daar dan aan”, bitste ik, „die woont ook leuk, drie straten verderop.”

„Jullie mogen in een hotel”, hield de man aan.

„Dan doen we het al helemaal niet!”, riep ik. „We gaan ons huis niet uit.”

„Het gaat om Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje”, legde de man geduldig uit.

Mijns ondanks deed ik de voordeur open. Waarom? Omdat ik me opeens een scène uit het boek herinnerde. Die waarin het Oud-Zuidse nettemensenechtpaar naar de Bijlmer ging, om kennis te maken met de Surinaamse ‘schoonmoeder’ van hun gymnasiastenzoon die het hield met een voluptueuze zwarte tienermoeder-met-gouden-tand. De schoonmoeder dumpte de meegebrachte fles Oud-Zuidse champagne meteen tussen de lege colaflessen naast de koelkast.

„Eten jullie altijd voor de televisie?”, had de nettemensenmoeder beleefd gevraagd vanachter haar bord rijst met kip en groenten.

„Ja”, had Rowanda-met-de-gouden-tand teruggekauwd, haar blik strak op het beeldscherm gericht. „Waar anders?!!”

Het was het grappigste dat ik recentelijk had gelezen over de wijk met de hoogste en die met de laagste babysterfte van Nederland, die toch slechts luttele kilometers van elkaar verwijderd zijn.

De beminnelijke Brabander, die de artdirector bleek te zijn, beloofde dat er voorzichtig met ons huis zou worden omgesprongen, dat we erin mochten blijven wonen en werken en dat slechts de hond de deur uit hoefde. Klein detail: de vleugel moest eruit, evenals de niet te tillen eiken eettafel en de bank. De rest kon naar beneden of naar de slaapkamer. Ze zouden enkel de woonkamer en de keuken gebruiken, en de hal, en de garderobe, en de badkamer op de eerste verdieping, alsmede de overloop. En de studio op de bovenverdieping kon mooi dienstdoen als studentenkamer van de hoofdrolspeler. En o ja, of de make-updames en de kleedsters dan in de bedrijfsruimte in het souterrain mochten intrekken?

Het was dus toch zover gekomen, in ons huis zou Alleen maar nette mensen gedraaid worden. Het nette deel bij ons, dat sprak vanzelf.

Zo vindt op de vroege maandagochtend om 6.30 uur de inval plaats. Woonden we in het weekend al in een zorgvuldig gestyled decor met neppe lambrisering, kamerplanten en berbers op de vloer – „Best huiselijk, mam” –, nu valt een veertigtal jongens en meisjes van de film het pand binnen om het over te nemen. Het lijken wel vroedvrouwen, ze weten meteen overal de weg. Om 7.10 uur stinkt het tot in de nok naar gebakken vis – dat staat op het menu in de eerste scène van vandaag.

Joodse mama

Het kamerscherm dat ik had bedacht om mijn kantoorruimte nog enigszins af te schermen, blijkt nodig om een kleedkamer voor de acteurs te fabrieken. Dus ben ik vanachter mijn bureau getuige van een oefenscène van Jeroen Krabbé met zijn filmzoon Géza Weisz, van de metamorfose van Annet Malherbe tot een bijna authentieke Joodse mama en die van Immanuelle Grives tot een volslanke Bijlmerqueen, compleet met gouden tanden.

Ons grote herenhuis is in beslag genomen door lampen, camera’s en beeldschermen. De regiekamer reist mee door het huis, geen hoek is veilig. Of ze het dak op kunnen om te verduisteren? En de slaapkamer in, en het balkon op. Ik zie tot mijn afgrijzen mijn antieke kroonluchter diagonaal aan een touw in de kamer hangen om hem uit beeld te houden – als die het maar overleeft. Onze Ingo Maurerlamp is ook al onttakeld.

Zo zijn we vijf dagen lang van ’s ochtends zes tot ’s avonds acht gedegradeerd tot gastgezin. We verschansen ons op de zolderverdieping tot de ochtend dat er ook daar gedraaid moet worden – wegwezen, verbouwen de boel. We sluipen over de trap en bevriezen honderd keer per dag als er op luide toon ‘stilte voor opname’ door het pand klinkt. Mijn aan de bank gekluisterde zoon-met-gebroken-knie plast in een emmer zodat hij niet bonkend met zijn krukken naar de wc hoeft en zo de stilte verstoort. Als hij naar het ziekenhuis moet, wordt hij door de hele ploeg de trap af geholpen – zo snel was hij nog nooit beneden. En de setbewaking neemt het Egyptische masker in ontvangst dat DHL voor ons komt brengen – handig zo’n crew.

Van tijd tot tijd komt er een emergency telefoontje.

Het brandalarm loeit door de rookmachine, hoe zetten we dat uit? Niet. Afplakken dan maar.

Mag de geluidsman op het aanrecht staan? Weet ik zeker dat het houdt? De man is nogal aan de maat.

De kat loopt door het beeld. Kan die opgesloten worden?

De vierde draaidag komen er dertig figuranten voor een feestje. Daar zie ik het meest tegenop – als die de tent maar niet afbreken. Maar het is die dag opvallend stil: alleen maar nette mensen.

Met de Surinaamse figuranten verliep het turbulenter, verneem ik van de crew. Aanvankelijk waren ze niet te vinden, geen castingbureau dat een blik donkere mensen kon opentrekken. En toen ze eenmaal waren gescout, waren de problemen nog niet opgelost. Want de dag dat de Surinaamse band zou optreden en er honderd man publiek klaarstond op de set, kon het hele circus worden afgeblazen omdat de helft van de band in Suriname het vliegtuig had gemist. De cultuurkloof tussen de rijkste en de armste Amsterdamse buurt doet zich zelfs bij de filmproducent gevoelen.

Vrijdagochtend wordt in onze woonkamer met veel tamtam en wilde muziek het slotshot gedraaid. En dan, even plotseling als de invasie had plaatsgevonden, is in no time iedereen weer verdwenen. Op naar de volgende locatie. Een oorverdovende stilte klinkt na. En twee schoonmaakdagen later is het net alsof er niks is gebeurd.