Aandelen doen het altijd beter. Toch?

Heb je daar nu al die tijd voor gespaard? Een van de grootste decepties van de werknemer die afscheid neemt van zijn baan en het goede leven tegemoet gaat, moet de hoogte van zijn pensioen zijn. Deceptie één, voor de echt onwetenden: nee, die AOW zit er al in. Nummer twee: nee, het salaris waarop het pensioen gebaseerd is, is niet het salaris dat werd verdiend, maar veel lager. En binnenkort deceptie drie: het wordt nog erger.

Deze week werd bekend dat, als het zo door gaat, meer dan honderd pensioenfondsen hun uitkeringen in 2013 met gemiddeld 5 procent moeten korten. Maar wanneer is het ook alweer fout gegaan? Er wordt nu gedaan alsof dat een zaak van de laatste drie onfortuinlijke jaren is. Maar de oorzaak ligt veel dieper: in de aandelenbeleggingen, en de manier waarop daarmee is omgegaan.

Nog steeds is er het onwrikbare geloof dat beleggen in aandelen uiterst rendabel is – als je in tijden van tegenslag maar de rit uitzit en lang genoeg wacht. Maar wat is de praktijk? De bedrijfswinsten als deel van het nationaal inkomen blijven over de tijd constant. Als ze sterker zouden toenemen dan zou er van het loon (het andere hoofdbestanddeel) op termijn weinig meer overblijven. Dat betekent dat de winsten niet structureel sneller kunnen groeien dan het nominale nationaal inkomen zelf: de ‘groei van de economie’, plus de inflatie.

Reken maar mee: honderd euro nationaal inkomen in 1952 is anno nu uitgegroeid tot iets meer dan 5.000 euro nationaal inkomen. Wie in 1952 100 euro stak in de CBS-beleggingsindex (die we na zijn einde in 2003 vervangen door de totale Nederlandse beursindex van Datastream), bezit nu 3.243 euro. Dat is minder dan de nominale economische groei, en dat kan onder meer worden verklaard door sterke toename van de lonen in de jaren zestig, ten koste van de winsten. Nu zijn er kanttekeningen bij te plaatsen. Een slimme belegger steekt zijn geld natuurlijk in bedrijven die het beter doen dan het gemiddelde. Maar dat kunnen we logischerwijs niet allemaal tegelijk. Wel is er het dividend dat bovenop de koersstijging komt. Herbelegging van dat dividend werkt als een enorme versneller van de vermogensgroei op de lange termijn. Daar tegenover staat weer dat de beursindex zelf misleidend is: succesvolle bedrijven komen er in, bedrijven die het minder goed doen vallen er uit. Een beursindex geeft dikwijls een naar boven vertekend beeld van de werkelijke koersontwikkeling van een gespreid pakket van aandelen.

De meeste pensioenfondsen zijn evenwel vanaf het begin van de jaren negentig pas echt grootschalig gaan beleggen in aandelen, en kwamen pardoes terecht in een van de grootste aandelenhausses ooit. Dat was de tijd dat de burger beleggingshypotheken en woekerpolissen werden aangesmeerd met als verkooppraatje dat aandelen altijd tien of meer procent rendement opleverden. Bij de pensioenfondsen werden overwinsten uit de beurshausse uitgekeerd. Werknemers betaalden te weinig of geen premie, en dat gold ook voor veel werkgevers. Wat sindsdien is gebeurd heet mean reversion: aandelenkoersen zijn teruggekeerd naar hun gemiddelde ontwikkeling en daar is een lange periode van ondermaatse prestaties voor nodig.

Ja, we leven langer en de pensioenleeftijd moet verder, en eerder omhoog. En ja, de rente waarmee wordt gerekend is zo laag dat toekomstige verplichtingen misschien alleen tijdelijk worden opgeblazen. Maar dat pensioen zelf? Dat is maar ten dele echt verdwenen. We hebben het tien, vijftien jaar geleden gewoon al opgegeten.

Maarten Schinkel