Vrouw verlaat lapzwans

Víctor Català: Eenzaamheid. Vert. Elly Bovée. Thomas Rap, 240 blz. €17,90

Wie begint aan Eenzaamheid, de Catalaanse roman die de schrijfster Caterian Albert i Paradís tussen 1904 en 1905 onder het pseudoniem Víctor Català in het tijdschrift Joventud publiceerde, moet enig doorzettingsvermogen hebben. De schoonheid van het landschap waar het jonge echtpaar Matias en Mila doorheen trekken, de vriendelijkheid van de voerman die hen een eindje meeneemt op zijn kar, de vlijt van de vrouwen die de velden bevloeien en de vruchtbaarheid van het land roepen onweerstaanbaar de sfeer op van de streekroman. Vreemd is dat niet. Een paar jaar eerder, in 1902, had de toen 33-jarige schrijfster faam opgebouwd met een verhalenbundel onder de titel Landelijke drama’s.

De zoete schijn daarvan is echter even bedrieglijk als het begin van Eenzaamheid, met de boekverschijning waarvan Víctor Català in 1905 zich definitief vestigde als een van de grote namen van het Catalaanse modernisme. Al na een paar bladzijden wordt die jubeltoon aangevreten door een dreigend gevoel van verlorenheid. ‘Met iets treurigs in haar blik [...] keek ze omhoog’, zo schrijft Català over Mila, wie ze de rest van het boek dicht op de huid zal blijven zitten. ‘De hemel was een grote leegte vol verblindend licht dat pijn deed aan haar ogen.’

Een jaar lang volgt de schrijfster de jonge Mila in haar ontgoocheling en neergang. Want er komt weinig terecht van haar verwachting het kleine bedevaartsoord waarover het echtpaar als beheerders is aangesteld, tot een succes te maken. De boerenbevolking laat het jaarlijkse patroonsfeest ontaarden in een bacchanaal van verspilling en vernieling. Matias raakt verslaafd aan het dobbelen. Een sinistere stroper jaagt Mila de stuipen op het lijf. Alleen in een oudere, sympathieke herder vindt zij een zielsverwant bij wie ze haar behoefte aan genegenheid kwijt kan.

Sensuele taal

Català was niet de enige schrijfster van rond de eeuwwisseling die hardhandig afrekende met de mythe van het idyllische platteland. In Galicië, aan het andere uiteinde van Noord-Spanje, had Emilia Pardo Bazán al eerder iets dergelijks gedaan. Maar bij Català kwam het realisme tot uitdrukking in de sensibele en beeldende, soms zelfs bijna sensuele taal die kenmerkend was voor de hele Europese literatuur van dat moment. Kleuren spelen in haar beschrijvingen vrijwel steeds een hoofdrol: van het veelbelovende lentelicht op de eerste bladzijden tot het winterse donker van het einde. In de loop van die ene jaarcyclus voltrekt zich ook het drama van Mila’s uitstoting en eenzaamheid.

Want het kwaad dat rondwaart in haar omgeving tast zelfs haar enige troost aan. De steun die zij bij de naamloze herder vindt vormt in de ogen van de dorpsgemeenschap het bewijs van haar echtelijke ontrouw. Een moord, een zoekgeraakte buidel met spaargeld en ten slotte een verkrachting brengen haar op de rand van de wanhoop, waaruit zij zich slechts met een laatste wilsinspanning kan bevrijden. Zij verlaat niet alleen het dorp maar ook haar man, wiens lapzwanzerij almaar bleker is gaan afsteken tegen haar vastberadenheid.

‘Sterke’ vrouw

Was het inmiddels niet zo’n gruwelijk cliché, dan zou je zeggen dat Català in de slotregels van haar boek een voorafschaduwing geeft van de ‘sterke vrouw’ van vandaag. Ongetwijfeld is dat een van de redenen waarom het boek plotseling internationaal weer in de aandacht is gekomen.

Dat betekent niet dat er op Eenzaamheid hier en daar geen slijtplekjes gekomen zijn. Om bij het slot te blijven: de afsluitende zin ‘Bitter had de eenzaamheid zich in haar lot gekristalliseerd’ zou naar huidige maatstaven als volkomen overbodig zijn geschrapt. Maar daar staat zo’n vijftig bladzijden eerder wel een prachtige passage tegenover, waarin Mila zich door de herder begeerd voelt en Català in onverholen erotische taal beschrijft hoe ze zich opnieuw bewust wordt van haar lichaam. Dat onmiddellijk daarna het zondebesef weer toeslaat, als een voorafschaduwing op de uitstoting die haar wacht, vergeef je de schrijfster – niet meer dan de boodschapster van de toenmalige mores – dan graag.