Vroeger, toen was er pas armoede

Politici zouden kunnen leren van de fouten van hun voorgangers, zegt historicus Auke van der Woud.

Morgen maakt hij kans op de Libris Geschiedenis Prijs.

Steden: Klein Hemelrijk ( bij het Kattegat/Singel). Twee mannen staan te praten in deze armoedige steeg in hartje Amsterdam, met de Singelkerk op de achtergrond. Amsterdam, Nederland, 1920.;

Ga naar Kampen, kijk naar de jonge meisjes daar en bedenk dat rond 1850 de helft van hen hun twintigste verjaardag niet haalde. Of ga naar Dordrecht. Van de duizend baby’s die daar in 1857 werden geboren, stierven er 358 binnen een jaar. Malaria. Cholera. Of gewoon diarree door de ontstellende vuiligheid en armoede waarin 60 procent van de Nederlanders toen nog leefde. Gezinnen van zes, zeven personen in kamertjes van nog geen twintig vierkante meter, vaak vochtig en zonder daglicht. Weinig anders te eten dan roggebrood en aardappelen. Water drinken uit de gracht waarin ook stront en ander afval verdween. Water? Borrelende drab!

Auke van der Woud (1947) schrijft boeken over de negentiende eeuw, zijn hele werkende leven al. Hij is emeritus hoogleraar architectuurgeschiedenis in Groningen. Hij werd bekend met de publieksversie van zijn proefschrift, Het Lege Land (1987), inmiddels een klassieker. Het gaat over de onbewoonbare woestenij die Nederland tot rond 1850 grotendeels nog was. Met zijn boek Koninkrijk vol Sloppen (2010), over achterbuurten in de negentiende eeuw, is hij een van de vijf genomineerden voor de Libris Geschiedenis Prijs. Morgenavond weet hij of hij die gewonnen heeft – of niet.

Van der Woud zit in de weldadig warme schemer van het Groningse café-restaurant Land van Kokanje. Jugendstil. Dat hij zo van de negentiende eeuw houdt, dat is begonnen op zijn twintigste, toen hij – liefhebber van rock-’n-roll – van een studiegenoot een plaat van Schuberts Die Winterreise (1827) kreeg. De hoofdpersoon uit die liederencyclus, de jongeman die zijn zekerheden achter zich laat, de wereld intrekt en zich een vreemde voelt, dat was híj.

Maar dit terzijde.

Van der Woud begint met de bemoedigende boodschap die er wat hem betreft in Koninkrijk vol Sloppen zit: dat die doffe ellende waarin zoveel Nederlanders tot zeker een eeuw geleden nog verkeerden zo snel is verdwenen. De sweatshops waarin duizenden Hagenaars, ook kleine kinderen, de japonnen en de kostuums voor de rijken maakten. De honderdduizenden kilo’s stront die jaarlijks door de goten stroomde, of die op grote hopen in de stad verzameld werd om als mest te worden doorverkocht aan boeren op het platteland. De bedsteden met rottend stro waarin mensen bij toerbuurt sliepen, boven het voorraadje rottend slachtafval dat daar als feestmaal voor de zondag bewaard werd. Je denkt: als dat in het nu welvarende Westen zo snel voorbij kon gaan, kan dat misschien ook in landen waar nog steeds sweatshops en open riolen zijn.

„Dat zou je denken”, zegt Van der Woud. „Maar er is wel iets voor nodig wat in veel van die landen ontbreekt en dat is een goed functionerende staat.”

In Nederland kon die zich ontwikkelen vanaf 1848, het jaar waarin de koning zijn almacht verloor, ook over de schatkist, en de parlementaire democratie gevestigd werd. Veiligheid. Rechtszekerheid. En als gevolg daarvan een snel stijgend bruto nationaal product. Dat is les één in een tijd waarin nogal wat kiezers graag zouden zien dat de staat zo ver mogelijk afgebroken werd. „Maar een land wordt niet alleen rijk van hoge bedrijfswinsten”, volgens de emeritus hoogleraar.

Wonderlijk alleen dat die staat zich in de negentiende eeuw lang niets aantrok van de cholera-epidemieën die maar bleven terugkomen, de kindersterfte, de algehele lichamelijke zwakte van het werkende volk. Artsen probeerden de landelijke politiek er wel voor te interesseren, en er waren Tweede Kamerleden die naar hen luisterden of zelfs een wetsontwerp indienden dat tot doel had „de achterbuurten te verruimen, de schamele stadgenooten als menschen te doen wonen, hunne gezondheid en die van hun talrijk kroost te bevorderen, en van de algeheele bevolking besmettelijke en moorddadige ziekten af te weren”. Dat was in 1854. Maar de meerderheid in het parlement vond dat de „toestand” in het land in „te zwarte kleuren” werd afgeschilderd en dat gezondheid een individuele zaak was. Eigen verantwoordelijkheid.

Lach er maar om. Het doet Auke van der Woud aan politici van deze tijd denken. Die vinden ook dat de ziekten die nu grote delen van de wereld bedreigen geen staatszaak zijn, maar eigen verantwoordelijkheid, of de verantwoordelijkheid van de markt. We hebben het over obesitas, over de steeds sterker wordende resistentie tegen antibiotica, over diabetes, hart- en vaatziekten, kanker. Volgens Van der Woud zijn die ziekten de cholera van de eenentwintigste eeuw. En zoals in de negentiende eeuw artsen – „hygiënisten” – jaren hebben moeten herhalen dat cholera alleen kon worden opgelost met algemene maatregelen – schoon drinkwater, riolering, betere huizen – zo verwacht hij dat het nog jaren zal duren voordat politici ophouden met zeggen dat „de industrie het zelf maar moet regelen” en zullen ingrijpen. Verbod op het toevoegen van suiker en te veel zout en vet aan voedsel, op de ongezonde massaproductie van vlees. Dat soort dingen.

Wat je ook denkt als je Koninkrijk vol Sloppen leest: dat we niet meer weten hoe goed we het hebben, hoe groot de welvaart is. Van der Woud: „Nu moet ik voorzichtig zijn, want ik zie de ingezonden brieven al komen. Ik wil het lot van bijstandsmoeders niet bagatelliseren. Maar armoede nu is echt wat anders dan armoede in de negentiende eeuw. De wanhoop is ook anders.” Na deze disclaimer zegt hij: „De ongelooflijke focus op de economie, daar verbaas ik me over. Politici die over een ramp praten als de groei een beetje tegenvalt.”

De paradox is dat die focus op de economie de welvaart ook mogelijk heeft gemaakt. Maar het doel lijkt nu alleen nog maar rijkdom te zijn. Vroeger, zegt Van der Woud, tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw, was het doel veel meer: verheffing, beschaving. Onderwijs, kunst en cultuur, kennis. Nu dat voor iedereen bereikbaar is, lijkt de betekenis ervan verloren te zijn gegaan. „Iets doet er alleen nog toe als het geld oplevert.”

Zal hij erg teleurgesteld zijn als zaterdagavond iemand anders de prijs krijgt?

„Het klinkt zo aanstellerig als ik zeg dat het me niet veel kan schelen. Het is altijd heel bemoedigend om applaus te krijgen.”

Auke van der Woud: Koninkrijk vol Sloppen Uitgeverij Prometheus, 440 bladzijden, 29,95 euro