Vijf dagschotels en een paar centimeter wijn: 61 euro

Wij rijden door het Franse land, over de snelweg, helemaal van zuid naar noord. Ik lees een boek getiteld Litter van de schrijvende Britse psychiater Theodore Dalrymple, die betoogt dat alle plastic rommel op straat te maken heeft met een nieuwe sociale werkelijkheid in Groot-Brittannië: die van gebroken gezinnen zonder vaste familiemaaltijden. Iedereen snackt kant en klaar, van de supermarkt. Oude ongeschreven regels dat eten op straat niet hoort, werken niet meer. Vandaar dat veel mensen de verpakking van repen, wraps en blikjes van zich afsmijten.

Ik word somber van Dalrymple en stel voor zometeen wat te gaan eten. Aangezien wij op de voorbank vinden dat pompstations smakeloos, duur junkfood verkopen, gaan wij van de snelweg af. Het is acht uur ’s avonds. We zitten ergens onder Tours. In Frankrijk kun je langs de route nationale altijd restaurantjes vinden voor reizigers: de Routiers.

Onze gedachten dwalen af naar die keer in de Auvergne, toen we een Routier vonden waar alle truckers ook stopten voor een simpele, eerlijke dagschotel. Truckers kennen de betere plekken: rood-wit geblokte kleedjes op tafel, pichetje wijn voor drie euro.

Maar vanavond is er na een half uur nog geen spoor van geblokte kleedjes en stoofvlees. La France profonde bestaat uit lege straten, verlaten supermarkten en donkere huizen. Dorpen zijn doods. In stadjes kom je hier en daar een kebabtent tegen, vol tl-licht. Zelfs daar zit geen hond.

Ik besef dat ik iets verdrongen heb: vorig jaar, ook op de terugweg uit Portugal, zijn we drie uur kwijtgeraakt doordat wij pompstations wilden boycotten. Toen las ik een lang artikel in de krant Libération over het Franse tolsysteem. Dat kwam erop neer dat de Franse staat in tijden van nood de tolwegen veel te goedkoop aan twee, drie multinationals had verkocht. Die verdienen zich nu scheel aan de tol, die almaar verhoogd wordt – en aan de snoep, broodjes en frisdrank die ze verkopen in pompstations die aan hen gelieerd zijn.

De achterbank, die gek is op pompstations, kan zich dit artikel levendig herinneren: de krant was nog niet uit of wij draaiden de provinciale weg op, op zoek naar een ‘echt’ restaurant. Maar ook toen: overal gesloten luiken, schotelantennes, desolaat landschap. Er stonden Routiers langs de weg maar die waren allemaal dicht. Immens geïrriteerd eindigden we rond elven in een neontent met plastic meubels met een pizza in een kartonnen doos – precies datgene waarvoor wij op de vlucht waren geslagen.

Ditmaal geven we het na anderhalf uur op. We jagen kennelijk een hersenschim na, een stuk wereld dat is afgestorven zonder dat wij het door hadden. We besluiten bij de volgende gelegenheid de snelweg weer op te gaan.

Ineens doemt er een rij geparkeerde vrachtwagens op. En daarachter, zo waar, een verlichte Routier! We gaan vlug naar binnen. In het midden van de armoedige gelagkamer vol ansichten, medailles en vingerplanten staat een lange tafel waaraan enkel mannen zitten. Ze eten taai kalfsvlees met jus en stukgekookte kool, vergelijken arbeidsvoorwaarden en bekijken een voetbalwedstrijd op tv. De wijn komt uit de streek en wordt per centimeter berekend. Pa staat achter de tap, moe achter de pannen.

Een uur later betalen we, intens tevreden, 61 euro voor vijf dagschotels en een paar centimeter wijn. En 10 euro – voor een gidsje met alle 1700 Routiers die nog niet op de fles zijn. Dat stoppen we in de auto en houden we daar, voor de volgende keer. In de wc naast de deur poetsen truckers hun tanden. Het eten was ondermaats, de wijn was bocht en de fruitsla kwam uit blik. Maar ons wereldbeeld is weer een jaartje gered.

Caroline de Gruyter