Verdoven met verhalen

Voor haar nieuwe roman volgde Anna Enquist de afdeling anesthesiologie in een ziekenhuis.

Het resultaat is een aanstekelijke doktersroman.

Nederland, Heerlen, 2-7-2004 Operatie in operatiekamer, ok, o.k. in Atrium ziekenhuis Heerlen. gezondheidszorg, ok verpleegkundigen, assistenten, chirurgie, kosten, wachtlijsten, instrumenten, Medisch specialist, ziekte, transplantatie, donor, anesthesie Foto: Flip Franssen

Yvonne Keuls schreef ooit, op verzoek van een Haagse instelling, een boek over het dagelijks leven in een psychiatrisch tehuis. Met haar haalde men, zo omschreef ze het zelf in Meneer en mevrouw zijn gek (1998), ‘het paard van Troje’ binnen. Zij gaf een eigen, impressionistische draai aan wat zij in het tehuis zoal waarnam. We zagen dus geen voorbeeldpatiënten met wie veelbelovende vorderingen worden gemaakt, maar een paar in haar ogen interessante gevallen, waar verder weinig schot in zat: dikke Appie, de schrik van de Haagse politie, Ida Been, een bitse tante die nergens een goed woord voor over had, of Trees, die hartelijke brieven schreef aan zichzelf, ondertekend door familieleden die haar nooit kwamen opzoeken.

Ook het VU-medisch centrum in Amsterdam kwam op het idee om een populaire schrijfster in de arm te nemen die een nieuw licht kon werpen op een van zijn afdelingen. Anna Enquist koos, ‘zonder aarzelen’, voor de afdeling anesthesiologie. En ook hier zou je van een paard van Troje kunnen spreken. Zij diepte er materiaal op voor een spannende doktersroman, die het vertrouwen in de gemiddelde anesthesist nou niet speciaal groter maakt. Er gebeuren vreemde dingen in De verdovers: gerommel in de bezemkast tussen opleider en assistent, fatale fouten in de operatiekamer, diefstal van verdovende middelen en ten slotte: zelfmoord.

Ik zou het boek – en ook de betreffende ziekenhuisafdeling – tekort doen als ik suggereerde dat deze misstappen van ‘de verdovers’ uit het leven gegrepen zouden zijn. We moeten die heftige incidenten zien als spanningselementen die Enquist toevoegde om de zeggingskracht en amusementswaarde van de roman te vergroten.

De normale, ongetwijfeld veel saaiere dagelijkse gang van zaken bij anesthesiologie, die zij een half jaar volgde, vormde de aanleiding, waarop zij gretig voortborduurde. Zij zette die alledaagse observaties naar haar eigen hand. Dat deed zij al eerder met de biografie van ontdekkingsreiziger James Cook, door niet James zelf, maar zijn eenzame vrouw te portretteren (De thuiskomst, 2008). Een paar jaar later gaf ze haar eigen draai aan de Goldbergvariaties van Bach, door ze te verbinden met het korte leven van haar overleden dochter (Contrapunt, 2008).

In De verdovers treffen we de gebruikelijke Enquist-ingrediënten aan: verdriet om een gestorven naaste, onverwerkte jeugdtrauma’s, falend moederschap, moeizame familierelaties en veel somberheid over de toekomst. Het geheel wordt omlijst door muziek, of althans door het muzikale schema van de sonate (expositie, doorwerking, reprise en coda). Die sonate wordt hier tot klinken gebracht in de verschillende stemmen en tegenstemmen die in de roman te horen zijn.

De twee stemmen die we het vaakst horen zijn die van de ongeveer 50-jarige Drik (verbastering van Diederik) en zijn iets jongere zus Suzan. Hij is psychiater. Zij is anesthesist. Hij wil dat zijn therapiepatiënten zich bewust worden van hun gevoelens en problemen. Zij zorgt juist voor bewusteloosheid en de afwezigheid van gedachten en gevoelens.

Twee artsen dus, met verschillende uitgangspunten. De een denkt vooral, de ander doet. Zij moet niets hebben van gepsychologiseer, hij roept de anesthesie uit tot schuilplaats van ‘de neurose’. Toch is hij ook weleens jaloers op zijn zus, omdat haar vak zoveel duidelijker is dan het zijne. ‘Als de bloeddruk stijgt schuif je er nitroglycerine in, als hij daalt kom je met epinefrine. Mijn vak is een moeras van vaagheden waar je op intuïtie doorheen moet manoeuvreren.’

Enquist voert deze Drik met een zekere grimmigheid ten tonele. Hij is in de rouw. Over zijn overleden vrouw en over zijn ongelukkige jeugd. Geen wonder dat hij zich afvraagt of hij nog wel anderen kan helpen. En dan voelt hij ook nog de hete adem in zijn nek van andere therapeuten. Zodat hij, ergens halverwege, sarcastisch kan bedenken dat hij zijn lastigste patiënt, de 27-jarige arts-assistent Allard, beter had kunnen verwijzen naar cognitieve gedragstherapie. ‘Dat helpt tegen alles, als je de kranten mag geloven.’

Deze Allard vertegenwoordigt de derde stem in de roman, onrustig zwalkend tussen psychiaters en verdovers. Hij wil graag genezen van zijn jeugdtrauma’s, maar vlucht er ook voor weg. Hij is in therapie, maar verzamelt ook alvast wat pillen en ampullen. Hij wil praten, maar ook verdoofd worden. Een noodlottige combinatie, zo blijkt, waarmee hij niet alleen zichzelf, maar ook anderen in het ongeluk stort.

De vraag rijst natuurlijk wat beter is. Therapie of chemie? Spreken of zwijgen? Pijnlijke gevoelens onder ogen zien of de patiënt platspuiten? Geen duidelijke antwoorden. Pikant in deze ‘discussie’ is dat Enquist zelf psychiater is, maar zich in deze roman met kennelijk plezier ook verplaatst in het zoveel zakelijker standpunt van de verdover.

Enquist schreef De verdovers in betrekkelijk korte tijd, en het is ook opvallend vlot van stijl: een mooie mengeling van ernst en droge humor, een mooie afwisseling ook van wetenschappelijk jargon met krachtige straattaal. Het ene moment kan ze het hebben over het ‘palperen van fietsbanden’ (voelen of ze nog hard genoeg zijn), of over een ‘thoracale bloeding’ (bloeding in de borst), of over ‘femurpen’, ‘collusie’ of ‘resectie’, waar het woordenboek aan te pas moet komen, het volgende moment gaat het over ‘knakkers’ die maar gauw moeten ‘oprotten’, of wordt er droogjes opgemerkt over een dode vader: ‘Hendrik ligt in de koeling’. Zelfs als therapeut Drik zwelgt in zelfmedelijden, bij het graf van zijn vrouw, weet hij het nog geestig te brengen. ‘En ik dan, denkt hij, wie bekommert zich om mij? [...] Zijn vrouw ligt zwijgend in de aarde, onkwetsbaar, volmaakt. Zij is overal vanaf.’

In het laatste hoofdstuk vinden we Drik, gedesillusioneerd, terug in een tochtige oude boerderij te midden van drankflessen, schimmel en andere viezigheid. Een fraaie, tragikomische scène, die geïnspireerd lijkt door een vergelijkbare, drankovergoten passage uit De Zondvloed (1988) van Jeroen Brouwers.

Anesthesiste Suzan is niet aan de drank geraakt, ondanks het feit dat man en dochter niets meer met haar te maken willen hebben. Zij is gewoon aan het werk in het ziekenhuis.

Moeten we daaruit de conclusie trekken dat ‘de verdovers’ het pleit hebben gewonnen? Of gaat de voorkeur toch uit naar de psychiaters? Wat wil Enquist gezegd hebben met haar boek?

Ik denk eigenlijk niet dat ze haar lezers wil laten kiezen tussen verdoving of therapie. Echte genezing valt immers toch niet te verwachten bij zaken als verlies en rouw. Geen genezing, hooguit wat troost, nadat therapeut en patiënt met elkaar hebben gepraat. ‘Wij analytici zijn verhalenvertellers’, lezen we, ‘en met het beste verhaal slaan we de patiënt om de oren.’

Dat is precies wat Enquist zelf ook doet in De verdovers. Zij slaat ons met haar beste verhalen om de oren. Zo aanstekelijk verteld dat haar lezers de ellende van het bestaan heel even kunnen vergeten. Je zou ook kunnen zeggen dat ze tijdelijk worden verdoofd.

Anna Enquist: De verdovers. De Arbeiderspers. 312 blz. € 21,95