Paradijsvogel met kraaienpoten

Alles moet efficiënter en dus moeten ook musea fuseren. Voordeel voor het publiek: verborgen topstukken komen ineens tevoorschijn.

Het reusachtige skelet van olifant Jack heerst over de andere dieren; een opgezette giraffe, de leeuw Nero, de tijger Atir, de ijsbeer die door Nederlanders tijdens de Willem Barentsz-expeditie in 1884 werd geschoten. Het skelet van Jack was meer dan een halve eeuw niet te zien, nu vormt het een pronkstuk op de tentoonstelling Naturalia, van circusdier tot wetenschappelijk object in Naturalis, het Nederlands Centrum voor Biodiversiteit in Leiden.

Olifant Jack behoorde tot de collectie van het Zoölogisch Museum Amsterdam (ZMA). In de negentiende eeuw was Jack het lievelingsdier van dierentuin Artis in Amsterdam. Hij kon allerlei kunsten, was meer een circusdier dan een echt dier uit de dierentuin. Een fles wijn ontkurken en leegdrinken bijvoorbeeld. Op een trompet spelen.

Dit jaar is de collectie zoölogica uit Amsterdam overgebracht naar NCB Naturalis in Leiden. Om het samengaan van de collecties te markeren toont Naturalis een aantal van de belangrijkste objecten uit Amsterdam. Nu, met de Amsterdamse verzameling van 40.000 opgezette dieren, 65.000 vogels, 450.00 schelpen en 10 miljoen insecten erbij, komt de Naturalis-collectie op 37 miljoen objecten. „Een deel van de Amsterdamse collectie diende een strikt wetenschappelijk doel”, zegt Marijke Besselink, samensteller van de tentoonstelling. „Een ander deel, afkomstig uit dierentuin Artis, is lange tijd niet voor het publiek zichtbaar geweest. Nu dus wel. Ook de collecties van het Nationaal Herbarium Nederland zijn ondergebracht in NCB Naturalis. De collecties worden niet alleen bij elkaar gezet, maar ook geïntegreerd en ontsloten. Onderzoekers uit binnen- en buitenland kunnen er zo optimaal gebruik van maken.”

Het Zoölogisch Museum is altijd sterk verbonden geweest met dierentuin Artis, opgericht in 1838. In 1882 stelde Artis op haar terrein een leslokaal en een laboratorium voor studenten ter beschikking, dit markeert het begin van het Zoölogisch Museum. Nederlandse wetenschappers die op expeditie gingen naar de Himalaya, Spitsbergen, Azië of de Caraïbische Eilanden keerden terug met zoölogische objecten als balgen (huiden) van vogels, sponzen, koralen, vlinders, insecten, zoogdieren. Die zijn alle geordend, beschreven, geïdentificeerd.

Vlinderdeskundige Harry van Oorschot wijst op een vitrine waarin honderden vlinders zijn vastgeprikt, de vleugels glanzen. „Ik heb jarenlang in Turkije zeldzame dagvlinders gevangen en bestudeerd, onder meer Nymphalidae, waartoe soorten als zandoogje en parelmoervlinder behoren”, licht hij toe. „Ik ontdekte steeds nieuwe soorten en ondersoorten. In tegenstelling tot zoogdieren en vogels vertakken vlinders zich zeer snel in nieuwe soorten. Het wetenschappelijke bewijs ervan is hier nu voor het eerst te zien.” Hij wijst op minuscule veranderingen in de kleur van de vleugels, in de vlekjes.

Net als tijger Atir en leeuw Nero is olifant Jack in de beginjaren van Artis aangekocht. Alle drie waren ze afkomstig uit een rondreizende menagerie. Niet alleen wetenschappers hadden een grote belangstelling voor de rijkdom van de schepping, ook de geïnteresseerde leek keek zijn ogen uit bij beesten die uit verre landen kwamen. In circussen en menagerieën werden de dieren aan het publiek getoond.

Artis kocht olifant Jack voor drieduizend gulden van een circus, een reusachtig bedrag voor die tijd. Maar Jack werd gaandeweg onhandelbaar en dreigde uit te breken. Ten einde raad schoot de toenmalige directeur van Artis, Gerard Westerman, het dier in 1849 eigenhandig dood. In de ribbenkast van Jack is nog het vergruizelde stuk bot te zien waar de kogel insloeg.

De wetenschappelijke belangstelling voor zoölogica komt tot uitdrukking in de stolpflessen met sterk water en de schelpencollecties die Naturalis laat zien. De expositie is cultuurhistorisch opgebouwd en niet taxonomisch, zoals veelal gangbaar is in natuurhistorische musea. „Dat biedt ons de gelegenheid te laten zien op welke manieren een verzameling tot stand komt”, legt Marijke Besselink uit. „Bij expedities in de negentiende eeuw hoort het neerschieten van dieren om ze mee naar het thuisland te kunnen nemen. Eerder al werden dieren gevangenen voor een vorst en werden ze onderweg in een rondreizende of soms permanente menagerie vertoond. Geleidelijk ontstaat er een wetenschappelijke belangstelling en worden objecten bestudeerd en beschreven.”

Een toonbeeld van een exotisch dier is de paradijsvogel, afkomstig uit Nieuw-Guinea, waarvan er vele tot de collectie van het Zoölogisch Museum behoren. „Enkele eeuwen geleden kwam het dode dier al zonder poten in Nederland aan”, aldus bioloog Kees Roselaar, wetenschappelijk collectiebeheerder van het ZMA. „Dat is de reden dat men dacht dat de vogels zonder poten leefden. En ook later werd alleen de huid gebruikt. Maar om de vogel in opgezette toestand op een tak te zetten, heb je wel poten nodig. Dus voor de wereldtentoonstelling in 1883 zette de preparateur er de klauwtjes onder van Hollandse kraaien of kauwtjes.” In een vitrine zien we de vogel, een van de kleurrijkste ter wereld met zijn prachtige sierveren. Inderdaad: de poten zijn opvallend zwart. Een paradijsvogel met kraaienpoten.

Naturalia, van circusdier tot wetenschappelijk object. NCB Naturalis, Darwinweg 2, Leiden, t/m 19/8. Inl: naturalis.nl