Opeens mis ik die aanleunwoningflat

Als iemand er niet meer is, raak je meer kwijt dan die persoon alleen. Vandaag moest ik opeens denken aan het gebouw waarin mijn opa woonde, een grote aanleunwoningenflat in Utrecht. Niet dat ik een specifieke liefde had opgevat voor dat gebouw; het was er kil en donker, en bovendien vreemd verstild, alsof er achter elke deur alleen maar zacht tikkende klokken te horen waren. Toch ben ik daar zo vaak geweest dat ik de omgeving zonder moeite kan oproepen, de route precies kan nalopen in mijn hoofd.

Als we aankwamen, zwaaide de zware voordeur automatisch naar voren open, op zo’n intimiderende wijze dat ik me altijd afvroeg of er weleens een vrouw met rollator net op het verkeerde moment aan de andere kant van de deur had gestaan. Vervolgens kwam je in een hal terecht. Daar hing een groot mededelingenprikbord, met berichten als ‘Dinsdag weer klaverjassen!’ en ‘Vrijdag gemeenschappelijk diner’. Iedereen woonde er zelfstandig, maar er was wel een kleine zaal aanwezig waar activiteiten plaatsvonden, steeds weer met tomeloos enthousiasme aangeprezen. Mijn opa ging nooit. Hij had geen zin om gemeenschappelijk te eten, ook al kookte hij niet meer zelf. Of om te gaan klaverjassen, ook al was hij daar erg goed in. Het lag niet aan de enthousiast aangeprezen activiteiten – mijn opa had geen zin meer in mensen.

Na de hal was er een deur links die naar de binnentuin leidde: een zorgvuldig aangelegde tuin met bloemperken, rozenbogen en een tegelpaadje, dat in een flauw rondje liep. Dit pad was duidelijk bedacht als het ‘zullen we even een rondje om’-pad. Het ‘een frisse neus halen, dat zal je goed doen’-pad. Het ‘kom, dan hebben we tenminste voor tien minuten iets te doen samen’-pad. Met mijn opa ben ik nooit in de binnentuin geweest, wel met mijn broertje. We deden wie het snelst over het verlaten paadje kon rennen.

Na de hal kwam de gang, een muf ruikende gang met tapijt, zonder daglicht, die prachtig galmde – ik zong er altijd, zo hard als ik durfde in de omringende stilte. Soms stonden er scootmobiels op te laden, braaf wachtend tot ze een keer van stal zouden worden gehaald. Ook stonden er vaak spullen bij een deur: een pot met een vetplantje, een beeld, een opgehangen schilderijtje van een poes of een stadsgezicht. Zodat het niet slechts een deur betrof, identiek aan alle andere deuren in de gang, maar het een ingang werd naar een eigen huis. Voor de plint lagen vaak ruwe kokosmatten met welkomstteksten, ook daar waar ik nooit bezoek heb gezien.

Hoewel ik nooit van het gebouw gehouden heb, mis ik het opeens. En vraag me af of ik een keer terug zal gaan, zingen in de gang, rennen op het paadje. Maar zonder daarna naar mijn opa te kunnen, heeft het eigenlijk geen zin.

Renske de Greef

Lees eerdere columns van Renske de Greef via nrcnext.nl/renske