NAVO was onmisbaar voor de rebellen

Nieuwsanalyse

De NAVO zal haar missie in Libië zo snel mogelijk afsluiten. De alliantie speelde een cruciale rol. Maar de oorlog bracht enkele pijnlijke gebreken aan het licht.

A military aircraft of deposed Libyan leader Muammar Gaddafi's lies destroyed at the airport in Sirte, October 6, 2011. Rebels said that the aircraft was destroyed by NATO air strikes. REUTERS/Anis Mili (LIBYA - Tags: POLITICS CIVIL UNREST CONFLICT MILITARY) REUTERS

Zonder de NAVO waren de Libische rebellen er nooit in geslaagd een eind te maken aan het 42-jarige bewind van Moammar Gaddafi. Zonder de NAVO waren de opstandelingen dit voorjaar, na hun aanvankelijke successen, ongetwijfeld door de troepen van Gaddafi verslagen. De NAVO-bombardementen waren cruciaal, tot en met de dag waarop Gaddafi aan zijn eind kwam.

De uitkomst van de oorlog is voor het Atlantisch bondgenootschap een opsteker. De NAVO wordt al jaren in beslag genomen door de moeizame oorlog in Afghanistan, maar nu is er weer eens een duidelijk resultaat.

„Na 42 jaar jaar is Gaddafi’s heerschappij van de angst eindelijk voorbij”, zei secretaris-generaal Rasmussen gisteren opgelucht. Zo snel mogelijk zullen de bondgenoten hun missie nu beëindigen en de verantwoordelijkheid voor het vervolg, de stabilisatie van het land, overlaten aan de Libische autoriteiten en de Verenigde Naties.

Aanvankelijk stelde de NAVO zich in deze crisis terughoudend op. Begin maart nog noemde Rasmussen het in deze krant voorbarig om te spreken over een vliegverbod dat de NAVO boven Libië zou kunnen afdwingen. Laat staan dat hij over bombardementen wilde spreken.

Maar al aan het eind van diezelfde maand leidde de alliantie een operatie die bestond uit drie elementen: een vliegverbod, een wapenembargo en de bescherming van burgers tegen aanvallen door Gaddafi. Dat laatste onderdeel van de missie kwam in de praktijk neer op het bombarderen van militaire installaties, arsenalen, colonnes en communicatiecentra. Herhaaldelijk moest daarbij ook het kazerneterrein in Tripoli waar Gaddafi woonde het ontgelden.

De aanvankelijke aarzelingen die de NAVO en haar grootste lidstaat Amerika hadden over een interventie, werden terzijde geschoven toen Gaddafi de opstandelingen niet alleen in het nauw dreef, maar ook dreigde in hun bolwerk Benghazi van deur tot deur te gaan om hen als ongedierte uit te roeien. Ook uit de regio klonk toen de roep om ingrijpen (de Arabische Liga pleitte daarvoor). En de VN-Veiligheidsraad nam een resolutie aan die een interventie mogelijk maakte: „alle noodzakelijke maatregelen” moesten worden genomen om de Libische burgers te beschermen. Daarmee was voor de NAVO de weg vrij voor actie.

Maar van het begin af dachten de 28 lidstaten verschillend over de interventie. Geen van de landen probeerde de operatie te verhinderen, maar wel zagen sommige bondgenoten af van daadwerkelijke militaire deelname. Andere bondgenoten, zoals Nederland, stuurden wel militairen en materieel, maar weigerden deel te nemen aan de bombardementen.

En zo moest een handjevol lidstaten onder aanvoering van de Fransen en de Britten, en met grote steun van de Amerikanen, de kastanjes uit het vuur halen.

Dat gebrek aan onderlinge solidariteit was één van de zwakke plekken die aan het licht kwamen bij Operation Unified Protector, zoals de NAVO haar missie doopte. Er waren meer problemen.

Zo duurde de hele operatie veel langer dan aanvankelijk was verwacht. De NAVO opereerde in feite als de luchtmacht van de rebellen, hield de troepen van Gaddafi voor hen op afstand en verzwakte het militaire vermogen van de Gaddafi-getrouwen. Maar de rebellen waren zo slecht georganiseerd dat het hun, ook met intensieve luchtsteun van de NAVO, aanvankelijk maar niet lukte een doorbaak te forceren.

Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer slachtoffers er vielen – terwijl bescherming van de bevolking juist de kern was van het mandaat van de NAVO. Ook begonnen de kosten voor de deelnemende landen ongemakkelijk hoog op te lopen. En dat in een tijd waarin geen regering, en geen ministerie van Defensie, ontkomt aan bezuinigingen.

Pijnlijk was bovendien dat de Europese bondgenoten al na enkele weken door hun munitie begonnen heen te raken. Hier en daar konden lidstaten elkaar wel een helpende hand bieden – zo leverde Nederland bommen aan Denemarken. Maar het was toch vooral Amerika dat met grootscheepse levering van munitie moest voorkomen dat de Europese wapens stilvielen. Landen met F-16’s konden de Amerikaanse bommen makkelijk gebruiken, maar lidstaten met een ander type gevechtsvliegtuigen moesten hun toestellen snel ombouwen om de Amerikaanse munitie eronder te kunnen hangen.

Bij zijn laatste bezoek als Amerikaans minister van Defensie liet Robert Gates niet na daar schande van te spreken. Ook al was de oorlog nog in volle gang, Gates waarschuwde dat het bondgenootschap op deze manier gedoemd was tot „collectieve militaire irrelevantie”. Gevoegd bij het feit dat de NAVO er maar niet in slaagde de derderangs militaire macht van Gaddafi te breken, was dat niet goed voor het aanzien van het bondgenootschapin de wereld.

De Amerikanen hadden de Europese bondgenoten en Canada welbewust het voortouw gelaten. Het was immers een probleem bij de Europeanen in de buurt, waar bovendien meer Europese dan Amerikaanse belangen op het spel stonden. Alleen in de eerste weken namen de Amerikanen intensief deel an het bombarderen, om het Libische luchtafweergeschut uit te schakelen. Daarna trachtten zij zich terughoudender op te stellen, en bombardeerden ze nog slechts met onbemande vliegtuigjes.

Niet voor het eerst is door de NAVO-missie in Libië nog eens bewezen dat oorlog voeren vanuit de lucht wel veel voordelen heeft, met name voor de veiligheid van de eigen militairen, maar dat het moeilijk is een oorlog op die manier te beslissen. Toen in Libië een impasse dreigde te ontstaan tussen de troepen van Gaddafi en de rebellen, bleken westerse militairen op de grond onmisbaar. Voor de NAVO was dit geen optie, maar als individuele lidstaten stuurden het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk enkele tientallen ‘special forces’ om de opstandelingen te helpen en te trainen, en de coördinatoren van de luchtaanvallen van informatie te voorzien. Bovendien besloten deze landen, in weerwil van het wapenembargo, om toch wapens te leveren aan de rebellen.

Uiteindelijk heeft de NAVO haar doel bereikt: het regime van Gaddafi is definitief geschiedenis. Maar officieel was regime change helemaal niet het doel van de missie. De alliantie had van de VN een mandaat gekregen om de Libische bevolking te beschermen – en legde dat uit als een vrijbrief om de rebellen in hun burgeroorlog te steunen en aan te sturen op de val van Gaddafi. Onder meer Rusland is daar nog steeds verbolgen over. Er wacht de NAVO daarom nog belangrijk diplomatiek herstelwerk.