Moammar Gaddafi: despoot, revolutionair, terrorist, clown

Gids van de revolutie, zo zag Moammar Gaddafi zich graag. Maar in de wereld raakte hij steeds meer geïsoleerd.

FILE - In this October, 1969 photo, Col. Moammar Gadhafi , left, appears with Egypt's Prime Minister Gamal Abdel Nasser, right, during his first official visit to Egypt after a military coup in Libya. A U.S. official says Libya's new government has told the United States that Moammar Gadhafi is dead. The official said Libya's Transitional National Council informed U.S. officials in Libya of the development Thursday, Oct. 20, 2011. (AP Photo/Farouk Ibrahim) AP

De man die Libië bijna 42 jaar op meedogenloze wijze regeerde heeft woord gehouden. „Ik zal dit land niet verlaten”, zei hij in februari, toen zijn bewind voor het eerst begon te wankelen. Om er op hem kenmerkende theatrale wijze aan toe te voegen: „Ik zal hier sterven als een martelaar.”

Het was kolonel Moammar Gaddafi kennelijk zijn eer te na om naar het voorbeeld van zijn Tunesische collega Ben Ali naar het buitenland te vluchten, al had hij dat misschien in dat stadium nog kunnen doen. Een bestaan buiten de schijnwerpers en beroofd van zijn macht trok hem na al die jaren niet aan.

In plaats daarvan kwam hij gisteren aan zijn einde in de kustplaats Sirte, niet ver van de plek waar hij naar eigen zeggen in 1942 in de woestijn in een bedoeïenentent was geboren. Zijn dramatische dood betekende voor veel Libiërs een enorme opluchting, want ze voelden zich nog altijd onveilig zolang Gaddafi op vrije voeten verkeerde.

Buitenlanders wilden nog wel eens vergeten dat de kleurrijke Libische leider met al zijn bizarre gebaren en gebruiken niet zomaar een onschuldige clown was. Tienduizenden mensen die door hem als politieke tegenstanders werden beschouwd belandden door de jaren heen in zijn gevangenissen en velen overleefden het niet. Anderen, in binnen- en buitenland, werden door zijn agenten geliquideerd. Libië was een keiharde politiestaat, waar iedereen was onderworpen aan de willekeur van Broeder-Leider, zoals hij zich graag liet noemen.

Toch zou Gaddafi zich met louter repressie niet sinds 1969 hebben weten te handhaven. In dat jaar pleegde hij als 27-jarige – zonder bloedvergieten – een geslaagde militaire staatsgreep tegen koning Idris. Gaddafi was van jongs af aan heel bedreven in het tegen elkaar uitspelen van de stammen in zijn land. De miljarden aan olie-inkomsten hielpen hem bovendien een handje.

Het oliegeld stelde hem in staat een soort elementaire verzorgingsstaat naar Oost-Europees model op te zetten. De meeste Libiërs hoefden geen huur te betalen en konden rekenen op gratis gezondheidszorg. De prijzen van de eerste levensbehoeften werden laag gehouden. Tot voor kort was Libië ook het land met de hoogste levensstandaard in Afrika. Maar de laatste jaren kwam de klad erin. Veel mensen zagen hun inkomen afnemen, hetgeen tot toenemende onvrede leidde. De jeugdwerkloosheid bedroeg vorig jaar bijna 30 procent.

Tegelijkertijd legde Gaddafi de bevolking ook de vreemdste zaken op. Zo introduceerde hij zijn eigen jaartelling, een variant op de islamitische jaartelling met eigen maandnamen. Voorts probeerde hij in de jaren zeventig in zijn Groene Boekje de bevolking de principes bij te brengen van de ‘Jamahiriya’, de staat van de massa’s die via gekozen volkscomités zou worden geregeerd. Zelf riep hij zich uit tot Gids van de Revolutie.

Met democratie had het niets van doen. In Libië was er al die jaren maar een die uitmaakte wat er gebeurde en dat was Gaddafi. Ook op economisch terrein: elk contract van boven de 200 miljoen dollar moest door hem persoonlijk worden goedgekeurd.

In het buitenlands beleid leefde Gaddafi zich intussen eveneens naar hartelust uit, waarbij consistentie niet zijn sterke punt was. Aanvankelijk richtte hij zich volledig op de Arabische wereld, mede geïnspireerd door zijn grote voorbeeld, de Egyptische leider Gamal Abdel Nasser. Zo ver ging zijn liefde voor de buurlanden dat hij zelfs een mislukte poging deed een federatie tussen Libië, Egypte en Tunesië te vormen.

De Arabische wereld toonde zich echter zelden ontvankelijk voor zijn charmes. De seculier ingestelde Gaddafi had weinig op met islamitisch fundamentalisme of met oude Arabische tradities en met name de vorsten uit de Golfstaten keken hem altijd met een scheef oog aan. Gaddafi bruuskeerde hen rustig als hij daar zin in had. Zo blies hij op een Arabische top, waar hij naast de Saoedische koning zat bij herhaling tergend rook van een dikke sigaar die hij had opgestoken in diens gezicht. Niet voor niets ook ontwikkelde Qatar zich tot een belangrijke steunpilaar voor de Libische oppositie.

Gaddafi’s nieuwe liefde op het internationale toneel was Afrika. Plotseling was alles wat zwart was onovertroffen. „Als ik toch maar zwart kon zijn, helemaal zwart”, riep hij eens. Hij was gul met geld en veel Afrikanen bewonderden de wijze waarop hij het machtige Westen tegen de haren in durfde te strijken. Het leverde hem veel vrienden op, onder wie een gerespecteerd man als Nelson Mandela. In 2008 liet Gaddafi zich zelfs tot Koning der Koningen van Afrika uitroepen.

Intussen vervreemdde hij vooral in het Westen velen van zich door op grote schaal terroristen aan het werk te zetten. Zo steunde hij de beruchte Palestijn Abu Nidal bij zijn acties tegen Israël en liet hij in 1975 Carlos ‘de Jakhals’ een aanslag uitvoeren bij het OPEC-hoofdkwartier in Wenen. Hij steunde verder onder meer de IRA, een separatistische Corsicaanse groep, de ETA en radicale groepen in Birma en de Filippijnen. Bovendien werd hij in verband gebracht met de aanslag op een Amerikaans PanAm-vliegtuig boven het Schotse plaatsje Lockerbie (270 doden) in 1988.

Gaddafi verkeerde toen al op voet van oorlog met de Verenigde Staten. Hij had in 1986 een aanslag laten uitvoeren bij een disco in Berlijn, waar veel Amerikaanse militairen kwamen. Dat leidde weer tot een Amerikaanse vergeldingsbombardement op zijn hoofdkwartier in Tripoli. Daarbij zou zijn geadopteerde dochter om het leven zijn gekomen, maar jaren later bleek dat niet zo te zijn.

Geleidelijk raakte Gaddafi zo steeds meer geïsoleerd. Dat veranderde echter na 2001. Libië betaalde schadevergoeding aan de slachtoffers van PanAm en er werden verdachten van de aanslag uitgeleverd en berecht. Hij gaf de Amerikaanse inlichtingendiensten nuttige informatie over fundamentalisten en ontmantelde installaties die voor chemische oorlogsvoering konden dienen. Tony Blair kwam op bezoek en later ook Nicolas Sarkozy, tuk op oliecontracten en andere orders.

Gaddafi was ook weer welkom in het buitenland. Met veel vertoon en medeneming van zijn geliefde kamelen, vrouwelijke lijfwachten en Oekraïense verpleegsters sloeg hij zijn tenten op in parken en achtertuinen van hoogwaardigheidsbekleders, in Rome, Parijs en elders. In Brussel liet hij zich door EU-commissaris Javier Solana in zijn tent bezoeken. Twee jaar geleden trakteerde hij de verzamelde regeringsleiders bij de Verenigde Naties op een langdurig en zeer onsamenhangend betoog.

Op spectaculaire wijze vierde Gaddafi twee jaar geleden zijn veertigjarige jubileum, waarbij een net vrijgesproken verdachte van de aanslag op het PanAm-vliegtuig eregast was.

Uiteindelijk waren het de gebeurtenissen in de beide buurlanden Egypte en Tunesië, die hij eens zo lief had gehad, die ook hem ten val brachten. Maar waar Ben Ali en Hosni Mubarak onder druk aftraden, bood Gaddafi gewapend verzet. Toen het oosten van Libië, waar de afkeer van Gaddafi altijd al dieper was dan in het westen, in opstand kwam, sloegen Gaddafi’s troepen keihard terug. Hij beloofde „geen medelijden” te tonen en op de opstandelingen te jagen „van straat tot straat, van huis tot huis en van kamer tot kamer”.

Een bloedbad dreigde in Benghazi en elders en westerse landen besloten – ondanks hun verbeterde betrekkingen met Gaddafi – in te grijpen. Ook Rusland en China staken daar bij uitzondering geen stokje voor in de Veiligheidsraad en zo konden de opstandelingen – met hulp van de NAVO – Gaddafi op hun beurt steeds verder terugdringen. Twee maanden geleden werd Tripoli ingenomen en was zijn heerschappij ten einde.

De persoon van Gaddafi blijft intussen in veel opzichten een raadsel. Hij was een man, die volgens sommigen alles tegelijk wilde zijn: Bedoeïen, wereldleider, revolutionair denker, koning der koningen in Afrika, Arabier, groot literator, moslim indien nodig, vrouwenliefhebber. Een man die onmiskenbaar aan grootheidswaan leed en tegelijk vaak als een wrede despoot optrad. Maar hij was ook een bluffer, een showman die ervan genoot op het wereldtoneel te opereren. Maar ook een man met charisma die soms verrassend charmant uit de hoek kon komen en geestig kon zijn, vooral tegenover vrouwelijke journalisten.

Maar wat hem werkelijk dreef? Het antwoord daarop is niet eenvoudig, ondanks al zijn publicaties en de vele interviews met hem. De meest plausibele verklaring lijkt dat het een man betrof die in de tamelijk ongebruikelijke positie verkeerde dat hij zich kon permitteren om te doen en te laten wat hij zelf wilde. Hij had het geld en de macht om al zijn grillige ingevingen te volgen en genoot daarvan.

Anders dan Gaddafi zelf had gehoopt zal hij niet de geschiedenis ingaan als een groot staatsman of denker van internationale allure. Hij was en bleef niet meer dan de grillige leider van een woestijnstaat van dik zes miljoen inwoners. Intellectueel is zijn nalatenschap evenmin erg serieus te nemen. Maar de wereld zal Moammar Gaddafi desondanks niet snel vergeten.