Menselijk tragedie of economische tegenvaller?

Op 1 januari 1738 verging voor de kust van Suriname, aan de monding van de Marowijne, het Nederlandse slavenschip ‘Leusden’. Alle 680 Afrikaanse slaven aan boord verdronken.

Toen de branding tegen het gestrande schip begon te beuken, waren de gevangenen aan dek. Op last van de gezagvoerder werden zij het slavenruim ingedreven en werden de luiken gesloten. De ondergang van de Leusden was de grootste scheepsramp uit de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel.

De Amsterdammer Leo Balai (Paramaribo, 1946) was landbouwkundig medewerker op een suikerplantage en douanebeambte in Suriname en, na een studie bestuurswetenschappen, onder meer gemeenteraadslid in Amsterdam. „Ik stuitte voor het eerst op de Leusden”, vertelt hij, „toen ik het standaardwerk The Dutch in the Atlantic Slave Trade – 1600-1815 (1990) van Johannes Postma las. Hij schreef: ‘Het was zonder meer een menselijke tragedie, maar voor de bewindhebbers van de West-Indische Compagnie (WIC) was het vooral een economische tegenvaller.’ Toen was voor mij de jacht op de Leusden geopend.”

Die lange speurtocht wordt morgenochtend afgesloten. Dan promoveert Balai aan de Universiteit van Amsterdam op zijn dissertatie Het slavenschip Leusden.

Abonnees kunnen het hele artikel hier lezen.