Meer worst van hetzelfde varken

Jan Van Loy portretteert een eeuw Hollywood in een roman vol beeldende passages en mooie zinnen – die merkwaardig traag op gang komt.

Jan Van Loy: Ik, Hollywood. Nieuw Amsterdam, 640 blz. € 22,95

Had ik alle tijd van de wereld, ik zou alleen boeken als Ik, Hollywood lezen. Een roman van de grote greep, met een bereik van honderd jaar; een panorama van de 20ste eeuw door de ogen van een filmtycoon; een soap over de geschiedenis van de filmindustrie, maar dan een die nergens sentimenteel wordt. Zeshonderd dikbedrukte bladzijden, waarvan je er een paar honderd nodig hebt om ‘erin te komen’. Een epos dat je daarna nauwelijks kunt wegleggen, met een slot dat erin slaagt om te ontroeren, zelfs al is het allesbehalve perfect uitgevoerd.

De vierde roman van de Vlaming Jan Van Loy (1964) is dik, dikker dan de gemiddelde A.F.Th. of de nieuwe Stefan Brijs. Te dik eigenlijk voor een haastige tijd als deze. Welke lezer gaat zoveel tijd – 18 uur om precies te zijn – nemen om zich te verdiepen in het leven van een fictieve Hollywood-mogol? Zoals Nick Hornby ooit wanhopig in een recensie schreef: ‘We hebben banen, kinderen, dvd-spelers, seizoenskaarten!’ Wat voegt Jan Van Loy toe aan de grote Hollywoodromans die al zijn geschreven (en ten minste half zoveel bladzijden tellen): The Day of the Locust van Nathanael West, The Last Tycoon van Scott Fitzgerald, Get Shorty van Elmore Leonard, The Player van Michael Tolkin en The Book of Illusions van Paul Auster?

Volledigheid, om te beginnen. Het levensverhaal van Louie Peters, een weesjongen die miljonair wordt (en daarmee ‘familie’ is van de Vlaamse wees die zijn Amerikaanse Droom waarmaakt in Van Loys verhalencyclus Alfa Amerika uit 2005) – dat levensverhaal bestrijkt het grootste deel van de filmgeschiedenis, van de zwijgende two-reelers uit de pionierstijd (vóór de Eerste Wereldoorlog) tot de quasi-intellectuele independent movies van de jaren zeventig. Wie doorleest krijgt een prachtig beeld van de naïeve begintijd, toen scenario’s nog assemblages heetten, een rijer niet meer vergde dan een meewandelende camera, en benzedrine de favoriete toevoeging was aan de koffie van de harde werkers; kortom de jaren dat alles nog moest worden uitgevonden, van het acteren voor een camera tot het genereren van publiciteit. Maar ook de hoogtijdagen van het studiosysteem met z’n machtige bazen en wispelturige sterren komen aan bod, alsmede de mijlpalen van de filmindustrie: de ontwikkeling van de avondvullende speelfilm, de overgang naar sprekende films, de winsten tijdens de Depressie, het succes van technicolor en cinemascope, de opkomst van de kleine filmmaatschappijen.

Filmhond

Wie Ik, Hollywood leest, maakt kennis met de groten van de filmgeschiedenis, al maken ze geen van allen hun opwachting onder hun eigen naam: Rover, de eerste filmhond in een heldenrol; Theda Bara, de vamp van de zwijgende cinema; Fatty Arbuckle, de komische kindervriend wiens carrière (waarschijnlijk ten onrechte) werd beëindigd door een spectaculair sterfgeval op een van zijn feestjes; Marilyn Monroe en Natalie Wood, beiden ongelukkig en te jong gestorven; Marlon Brando en James Dean, de getroebleerde troublemakers; Dalton Trumbo, de ‘rode scenarist’ die vanaf de zwarte lijst van de communistenjager McCarthy doorwerkte onder pseudoniem; Michelangelo Antonioni, de stijlvolle Italiaan die zijn arthouse-cinema naar Hollywood exporteerde. En natuurlijk Louis B. Mayer, de studiobaas die (samen met Samuel Goldwyn, Jesse L. Lasky en Adam Zukor) model stond voor Van Loys hoofdpersoon Louie Peters.

Peters is niet joods (uitzonderlijk voor een producer in Hollywood) en niet groot, anderhalve meter om precies te zijn – een levenslange frustratie. Vooral zijn relatie met zijn broer Charlie, een knappe nietsnut en vrouwenmagneet met een kwade dronk, wordt daardoor getekend. ‘Jij zal nooit groot worden, weet je dat?’ zegt Charlie tegen hem, als ze met geleend geld in 1909 ‘filmpjes’ gaan maken. ‘En niemand wil zo’n ventje van niks in zijn leven. Iedereen zal jou altijd bespuwen. Als ze je opmerken, tenminste. Als ze je niet vertrappen zonder je ooit te hebben gezien.’

Helemaal gelijk krijgt Charlie niet, want Louie wordt een van de machtigste mannen van Hollywood, terwijl het hemzelf ten enenmale ontbreekt ‘aan de volharding om enige ambitie waar te maken’, waardoor hij altijd weer terugvalt op ‘zijn achteloze zelf’. Maar gelukkig wordt Louie niet, ondanks al zijn geld, zijn roem en zijn relaties met mooie actrices.

Niet dat het Van Loy om dat soort soapy stuff te doen is. Het is in het begin van Ik, Hollywood overigens niet duidelijk waar het hem wél om te doen is, want de avonturen van Louie Peters worden zonder veel nadruk, zeg maar gewoon vlak, geboekstaafd. De lezer wordt niet geacht mee te leven met de hoofdpersoon, misschien omdat Van Loy – getuige ook de titel van zijn roman – in de eerste plaats een biografie van een filmstad wilde schrijven; misschien omdat Van Loy dat gewoon niet belangrijk vindt; per slot van rekening had zijn vorige roman (De heining, 2007) ook zo’n hoofdpersoon die overal doodkalm onder blijft.

Maar it grows on you: op ongeveer de helft van het boek, dat verdeeld is in acht tijdvakken die worden aangeduid met de titel van een spraakmakende Louie Peters-productie, raak je toch benieuwd naar hoe het met Peters af gaat lopen en vooral ook hoe zijn leven is geweest voordat hij op 17-jarige leeftijd naar Californië kwam. En dat terwijl hij niet bepaald sympathiek is, vrienden ontslaat wanneer hij ze niet meer nodig heeft, en altijd zijn oren naar de gemene deler laat hangen. ‘Een film die winst oplevert is een goede film’, vindt hij. ‘We moeten het grote publiek volgen en niet proberen te leiden.’ Want de markt schreeuwt om ‘meer worst van hetzelfde varken’.

Gestige ontmoeting

Ik, Hollywood is een eigenaardig boek. Goed geschreven, wemelend van beeldende passages en mooie, originele zinnen als ‘Terwijl hij binnen zijn broek uittrok, dacht hij aan hoe hij zich het leven in Californië had voorgesteld. Iets vaags met veel zonneschijn’; en: ‘Luke had dan ook die neutrale blik, een deksel op een pot van wantrouwen.’ Humoristisch, op een bescheiden manier, zoals in de geestige ontmoeting met een zakenman die anno 1909 zegt: ‘Actrices? In Hollywood? Over mijn lijk, Louis Peters. Over mijn lijk zullen jij en jouw slag dit bolwerk van fatsoen kunnen slopen.’ Maar ook kabbelend, traag, onderkoeld, zodat bijvoorbeeld de tragiek van broer Charlie te weinig uit de verf komt. Het boek is zoals Louie Peters zelf is. Wat wil je met een man die uitroept: ‘Houden van? Dat was ook maar flauwekul voor tussentitels.’

In het laatste deel van de roman, wanneer het leven van Peters als een film aan de lezer voorbij is getrokken, voegt Van Loy nog wat aan zijn verhaal toe. Hij schakelt over op de eerste persoon enkelvoud en vertelt het verhaal van een aan lager wal geraakte journalist in Brussel die de opdracht krijgt om de biografie van een inmiddels 108-jarige (en zwijgende) filmmagnaat te schrijven; de journalist lijkt meer met Louie Peters te maken te hebben dan hij kan vermoeden.

Het is een beproefde schrijverstruc (ook ingezet door Auster in The Book of Illusions), maar Van Loy past hem nogal eigenzinnig toe. Want was het niet logischer, en ook sterker, geweest als hij de pogingen van de journalist-biograaf door het levensverhaal van Peters heen had geweven?

De vraag stellen is hem beantwoorden. Waarschijnlijk had zo’n compositie ervoor gezorgd dat de potentiële, drukbezette lezer meteen bij zijn lurven wordt gegrepen. Het zou Ik, Hollywood het massapubliek hebben kunnen geven dat de roman verdient.