Laat meisjes kiezen voor 'fotografe' en 'monteuse'

Mannelijke beroepsnamen ontnemen het zicht op de grote bijdrage die vrouwen leveren in de maatschappij, stelt Ingrid van Alphen. Zij wil directrice en hooglerares.

Toen de nieuwe directeur van het NIOD in 2007 werd ontvangen in het historische radioprogramma OVT was de eerste vraag: „En, hoe is het nu om zo’n mannenbolwerk te leiden?”

Verbaasd legde de directrice (want die betrof het) uit dat de meerderheid van de medewerkers van het NIOD inmiddels uit vrouwen bestond. Dit had kennelijk de redactie van dit mannenradiobolwerk niet bereikt. Net zomin als bij het begin van dit stukje veel mensen gedacht zullen hebben dat het bij het woord directeur om een vrouw ging.

Dit is dus precies de reden waarom Heleen Crul (Opinie, 1 oktober) gelijk heeft met haar oproep om vrouwen (weer) zichtbaar te maken in taal en vrouwelijke naast mannelijke beroepsnamen te gebruiken.

In 1981 werd in het kader van de Wet Gelijke Behandeling de discussie gestart over de gelijke behandeling van vrouwen op linguïstisch niveau. Het betrof de keuze om beroepsbenamingen – die doorgaans uitsluitend in de mannelijke vorm zijn gesteld – hetzij gedifferentieerd op te nemen in een register hetzij zogenaamd geneutraliseerd. Het differentiatievoorstel betrof het consequent naast elkaar hanteren van de vrouwelijke en de mannelijke vorm van een beroep, met als argument het zichtbaar maken van vrouwen in taal. Dus: directrice en directeur.

Het neutralisatievoorstel riep de mannelijke vorm uit als sekseneutraal met – indien noodzakelijk – soms het adjectief ‘vrouwelijk’ ervoor, met als argument dat sekse er bij een beroep niet toe doet.

Op 22 maart 1983 lagen beide voorstellen ter tafel in de Tweede Kamer. Nederland zou bij ‘wet en regelgeving’ linguïstische voorschriften over deze kwestie aannemen. Echter, tot een daadwerkelijke keuze voor differentiatie- of neutralisatiestandpunt is het nooit gekomen. Het GPV diende een motie in strekkende de mening dat de taal van God was en dat de mensen met hun handen van de taal af moesten blijven. Deze motie werd aangenomen, met steun van de PvdA die verwees naar de toentertijd nog aanwezige socialistische haan: „Omdat wij vinden dat de Samenleving haar eigen taal maakt en wij derhalve vinden dat degenen die denken dat door de taal te veranderen, de samenleving verandert, gelijk zijn aan een haan die denkt dat door zijn kraaien de zon opkomt’. (Handelingen Tweede Kamer)

Aldus werd besloten dat de Nederlandse taal verder in de handen van God dan wel de Samenleving werd gegeven. Het is opvallend dat taalveranderingen als ‘bejaarden’ naar ‘senioren’ en ‘gastarbeider’ via ‘buitenlandse werknemer’ en ‘medelander’ naar ‘allochtoon’ zo’n parlementaire discussie niet hebben gehad.

De voorspelling dat bepaalde beroepen voor vrouwen toegankelijker zouden worden, is niet uitgekomen: het is slecht gesteld met de vrouwelijke participatie in toonaangevende, dus zichtbare, beroepen.

Terecht stelt Crul dat al die mannelijke beroepsnamen het zicht ontnemen op de grote bijdrage die talloze vrouwen leveren aan onze samenleving. Dat vonden mijn studenten en ik in 1983 toen wij het differentiatievoorstel opstelden, en die opvatting is nu alleen maar versterkt en een bewezen feit geworden.

Hierbij speelt ook mijn analyse van beroepskeuzen van adolescente Nederlandse meisjes en jongens een rol. De jongens gaven ‘gewoon’ een beroepsnaam als ‘fotograaf’ of ‘hotelmanager’, waar de meisjes hoofdzakelijk ‘iets met’ wilden worden: ‘iets met fotografie’,‘iets met een hotel’, met een incidentele ‘grondstewardess’ of ‘kapster’. Dit laatste geeft aan dat het daadwerkelijk bestaan van een vrouwelijke beroepsnaam voor meisjes ook een zichtbaar arbeidsperspectief biedt.

Het door Crul benadrukte verschijnsel dat „vrouwelijke uitgangen verwijzen naar ‘typisch vrouwelijk’ en dus tweederangs” kan alleen verdwijnen door een consequent gebruik van vrouwelijke vormen naast mannelijke voor alle rangen en standen. Zo wordt ‘leerkracht’ wel degelijk door iedereen als sekseneutraal opgevat omdat de gebruikelijke benamingen, lerares en leraar, er aan ten grondslag liggen.

Pas na het naast elkaar gebruiken van vrouwelijke en mannelijke beroepsnamen kan er sprake zijn van enige sekseneutraliteit. Dat dit gepaard moet gaan met een verandering van de niet linguïstische werkelijkheid is buiten kijf. En als dan eindelijk een vrouw de leiding heeft over een of ander bolwerk, noem haar dan directrice. En wanneer zij werkzaam is in de techniek, noem haar dan monteuse.

Ingrid van Alphen is taalwetenschapster aan de UvA.