Kind, absoluut nooit fruit eten

In een tweewekelijkse serie over boeken die bijna onopgemerkt bleven, deze week een bundel met filosofische levens en lessen over sterven en de dood.

Ik word altijd wat schuw als het over filosofie gaat. Ik ben er te dom voor en kan het al gauw niet meer volgen. Maar dit boek, dat volgens de ondertitel gaat over ‘wat filosofen en hun dood ons leren’, kan ik overal openslaan – en dan blijk ik het niet snel weer weg te leggen.

Wat een verhalen. Ik lees over de laatste zestien jaar van het leven van Freud. Hij had kanker in zijn mond, kaak en verhemelte. Een paar maanden voor zijn dood kreeg hij op zijn wang een stinkend gezwel. Freud was een groot hondenliefhebber en moest toezien hoe zijn lievelingshond, een chowchow, zich toen van hem afkeerde – ‘en ineengekrompen in een hoekje van de kamer bleef zitten’.

Ik lees over Kant en over zijn dwangmatige dagindeling en zijn voorkeur voor wandelingen in zijn eentje, ‘omdat hij dan niet hoefde te praten en steeds door zijn neus kon ademen, iets wat volgens hem veel gezonder was’. Ik lees over Spinoza en zijn gewoonte om spinnen te trainen en tegen elkaar te laten vechten. Over de onthoofding van Thomas More. De gevaarlijke karbonkels van Karl Marx. De gewoonte van de pythagoreeërs om geen vlees te eten, en ook geen vis, met uitzondering van de rode mul. Thomas Hobbes lag tot aan zijn dood, op 91-jarige leeftijd, ’s avonds laat in bed te zingen, omdat dat volgens hem ‘goed was voor zijn longen en bijdroeg aan een langer leven’.

Simon Critchley geeft hier, in chronologische volgorde, de levens, en vooral de dood, van 190 filosofen, van de oude Grieken tot en met de jongste Fransen. Niet uitputtend, maar met een scherp oog voor de sterke anekdote, het mooie citaat, het grappige detail. Soms krijgt een dode denker maar één regel, zoals in het geval van Strato (overleden 270 v. Chr.): ‘Aan het eind van zijn leven was Strato zo dun geworden, dat hij naar verluidt helemaal niets voelde, toen hij stierf.’ Soms krijgt een filosoof een kort essay van een paar pagina’s. Soms gaat het alleen maar over zijn leven en doodsstrijd, maar meestal ook over zijn filosofie, en over wat die filosofie over de dood zegt.

Er is, zegt Critchley zelf, geen dwingende volgorde in de bloemlezing, maar alles bij elkaar wil zijn boek wel een pleidooi vormen: om niet voor de dood weg te vluchten, maar hem als een realiteit onder ogen te zien en ermee in het reine te komen, zoals veel filosofen voor ons hebben gedaan. Volgens Cicero, Montaigne en vele anderen is filosofie zelfs niets anders dan dat: leren sterven. En alleen wie kan sterven kan leven. Critchley voelt dus veel voor de leer van Epicurus. Ik kan dat heel goed volgen, maar zo gauw hij er een betoog van maakt en in filosofenjargon begint te spreken moet ik weer afhaken.

Wat leerde ik dus vooral van dit boek? Dat ik er nog steeds te dom voor ben. En dat filosofen ook maar gewoon mensen zijn. En lang niet altijd even slim. Solon ‘stelde pasgetrouwde bruiden steevast voor om een kweepeer te eten, voor ze het huwelijksbed instapten. Waarom precies is niet duidelijk’. John Locke vond dat kinderen dunne, waterdoorlatende schoenen moesten dragen en verplicht op onregelmatige tijdstippen moesten eten. En nooit fruit, omdat fruit ‘absoluut ongezond was voor kinderen’.

Simon Critchley: Over mijn lijk. Wat filosofen en hun dood ons leren. Vert. Fred Mathijsen. Scriptum, 292 blz. €22,50.