Je hóéft geen jurist te zijn

Is jurist Piet Hein Donner dé kandidaat voor de Raad van State? Het is maar net hoe je de profielschets leest.

De Raad zelf verkiest wiskundige Rinnooy Kan.

Als er één functie is waarvoor de benoeming vlekkeloos had moeten verlopen, dan is het wel de post van de vicepresident van de Raad van State. Maar de strijd rond de opvolging van Herman Tjeenk Willink is inmiddels verworden tot een politieke rel met de daarbij behorende reputatieschade voor betrokkenen.

Dat is pijnlijk, want het was juist de bedoeling om de procedure transparanter te verlopen, inclusief een advertentie. Maar van die voornemens komt niets terecht.

Volgens de wet heeft de Raad van State niets te zeggen over de benoeming van de nieuwe vicepresident. Het kabinet benoemt de opvolger van Herman Tjeenk Willink, de Raad van State heeft alleen het recht om gehoord te worden. Maar leden van de Raad van State hebben, al voor de zomer, wél meegewerkt aan de profielschets van de nieuwe vicepresident. Daarin valt vooral één zinnetje op. De nieuwe vicepresident hóéft geen jurist te zijn: de „voorkeur” gaat alleen „uit naar iemand met een juridische opleiding”, staat in de schets. Tot nu toe is dat zinnetje uitgelegd als: zie je wel, huidig minister Donner (Binnenlandse Zaken, CDA), maakt de meeste kans. Hij is immers jurist, en dat heeft blijkbaar de voorkeur.

Maar, zegt iemand die weet hoe de profielschets tot stand is gekomen, je kunt deze passage óók op een andere manier uitleggen. Want had deze zin er niet in gestaan, dan was de automatische aanname geweest dat alléén juristen in aanmerking zouden komen. De Raad van State is immers, naast adviseur over wetsvoorstellen, ook de hoogste bestuursrechter van het land, en dus is juridische kennis noodzakelijk. Het was nadrukkelijk níét de bedoeling dat alleen juristen zich aangesproken zouden voelen door de profielschets. Binnen de Raad van State leeft namelijk het idee dat „de Raad in deze tijd méér nodig heeft dan alleen iemand met juridische kennis”, zegt een betrokkene. „Iemand die zich als bovenpartijdig persoon kan mengen in het maatschappelijk debat. Die juridische kennis komt vanzelf wel.”

SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan is volgens ingewijden de favoriete kandidaat voor de functie. Een wiskundige, geen jurist.

De benoemingsprocedure heeft een geheel eigen dynamiek gekregen, sinds premier Rutte de advertentie voor de vacature voor de functie aankondigde. Volgens de officieuze verdeling van topfuncties binnen de traditionele grote drie partijen, PvdA, CDA en VVD, zou het CDA recht hebben op het vicepresidentschap, omdat de andere partijen de voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer leveren.

Minister Donner is al maanden de meest genoemde kandidaat. Maar, zeggen betrokkenen, door de commotie kan zijn benoeming schade opleveren. Deze eigen dynamiek doet ook de reputatie van Rutte geen goed. Er is veel kritiek te horen: Rutte zou de regie kwijt zijn. Vorige week vrijdag, tijdens zijn wekelijkse persconferentie na de ministerraad, zei hij zelf een keer of vijf, zes: het kabinet is verantwoordelijk voor een correcte benoemingsprocedure. En ja, volgens hem loopt die procedure tot nu toe volgens plan. Toch kwam hij pas afgelopen vrijdag naar buiten met het nieuws dat minister Opstelten (Veiligheid en Justitie, VVD) de procedure overnam, terwijl dat in de wandelgangen al voor de zomer bekend was.

Zou Rutte nog zijn eigen Kamervragen, over de benoeming van Ahmed Aboutaleb tot burgemeester van Rotterdam in 2008, in zijn achterhoofd houden? Hij schreef toen aan de minister van Binnenlandse Zaken: „Deelt u de mening dat, als er niet sprake is van een direct landsbelang, het tot de goede gebruiken behoort, dat tijdens een kabinetsperiode bewindslieden niet proberen elders een functie te werven?”