Een onversneden pleidooi voor gotiek en ornament

Het ornament moet terug in de architectuur. Geen kille, kale planken en wanden meer maar ambachtelijke decoratie. Computerarchitect Lars Spuybroek treedt in het voetspoor van de ‘reactionairen’ Ruskin en William Morris.

Lars Spuybroek: The Sympathy of Things. Ruskin and the Ecology of Design. V2/MAi Publishers, 400 blz. € 29,50

Computerbarok – zo wordt de welvende architectuur vaak genoemd die met behulp van digitale technieken is ontworpen. Zelf spreken computerarchitecten als de Amerikaan Greg Lynn liever van computergotiek. Zij zien meer overeenkomsten tussen gotiek en hun digitale ontwerpen dan tussen ‘blobs’ en de barok.

Om de wereld er eens en voor altijd van te overtuigen dat we van computergotiek moeten spreken schreef Lars Spuybroek, oprichter van het ontwerpersbureau NOX en hoogleraar Architectonisch Ontwerp aan de Georgia Tech in Atlanta, The Sympathy Of Things. Ruskin and the ecology of design. Natuurlijk distantieert Spuybroek zich hierin nadrukkelijk van de barok. Hoe overvloedig de krommingen in bijvoorbeeld een Bernini-kerk ook zijn, barok is en blijft een variant op de armzalige klassieke bouwkunst waar verschillende elementen als zuilen en architraven op elkaar worden gestapeld. Computerbarok is hoogstens een goede aanduiding voor het werk van Frank Gehry, de Amerikaanse architect van het Guggenheim Museum in Bilbao, vindt Spuybroek. Gehry maakt altijd eerst, ouderwets met de hand, sculpturen en geeft die vervolgens aan zijn medewerkers om met computerprogramma’s te bewerken en te verbeteren.

In Spuybroeks digitale ontwerpen, zoals de interactieve geluidssculptuur Son-o-House uit 2004 in Son en Breugel, speelt de computer van begin af aan een rol. Van simpel stapelen van verschillende onderdelen is hier geen sprake. Met algoritmes ontwerpt een echte computerarchitect als Spuybroek vormen en patronen die bijna als vanzelf lijken te groeien. Hierin lijkt digitaal ontwerpen sprekend op gotiek. Net als digitale architectuur is die van gotische kathedralen vloeiend. Zoals in de gekromde computergotische gebouwen vloeren onmerkbaar overgaan in wanden die weer geleidelijk veranderen in plafonds, zo gaan de bundelzuilen van echt gotische kerken vloeiend over in de ribgewelven. En zoals de ribgewelven een oneindige variatie aan patronen laten zien, zo kunnen ook in digitale ontwerpen patronen gemakkelijk en eindeloos worden veranderd. Gotiek is digitaal, concludeert Spuybroek in The Sympathy of Things.

Misschien wel het grootste probleem van de computergotiek was de rechtvaardiging. De kronkelige computergebouwen waarvan de doorsnede op elk punt anders is, zijn vaak indrukwekkend en soms zelfs mooi, maar altijd roepen ze dezelfde vraag op als flessen met miniatuurscheepjes in hun binnensten: waarom? Waarom zo moeilijk en complex als het veel makkelijker kan?

The Sympathy of Things is een legitimatie van de computergotiek. Spuybroek heeft geen half werk geleverd. Aan alle aspecten van architectuur en vormgeving schenkt hij uitgebreid aandacht. Hij wijdt zelfs een hoofdstuk aan schoonheid, een begrip dat in de 20ste eeuw uit de architectuur verdween. Hij houdt een pleidooi voor een radicale vorm van picturesque, het schoonheidsideaal uit het 18de-eeuwse Engeland dat ergens halfweg staat tussen de traditionele schoonheid en het sublieme, de ontzagwekkende schoonheid die nog wel springlevend is. Ook ecologie, het onderwerp waar elke architect zich tegenwoordig mee bezighoudt, behandelt hij in het slothoofdstuk.

Het interessantste deel van The Sympathy Of Things gaat over gotiek en ornamenten. Vooral in dit deel leunt Spuybroek op de opvattingen van de Engelse kunst- en architectuurtheoreticus John Ruskin (1819-1900) die hij heeft vastgelegd in boeken als The Stones of Venice en The Seven Lamps of Architecture. Op het eerste gezicht lijkt het een bizarre onderneming om avant-gardistische, digitale architectuur met Ruskin te legitimeren. Ruskin staat immers bekend als een aartsreactionair die vond dat er sinds de renaissance niets moois was gebouwd in Europa. Nog meer dan renaissance en classicisme verafschuwde Ruskin zijn eigen tijd, de eeuw van de industriële revolutie waarin steeds meer voorwerpen op industriële wijze werden vervaardigd. Ruskin verlangde terug naar de middeleeuwen, toen handwerklieden de ornamenten van gebouwen beitelden.

Venetië

Maar Spuybroek laat op een overtuigende wijze zien dat Ruskin veel meer was dan een gotische fanaticus die in geëxalteerd proza vele honderden pagina’s volschreef over zijn geliefde stad Venetië. Hierbij treedt Spuybroek in de voetsporen van Ruskin zelf: gedetailleerde en, eerlijk gezegd ook taaie, uitweidingen over de opvattingen van Ruskin en verwante kunst- en architectuurtheoretici en filosofen als Wilhelm Worringer, Gottfried Semper en Martin Heidegger, onderbreekt hij met Ruskin-achtige tirades tegen de modernistische architectuur en vormgeving: ‘Eerst vernietigden de protestantse iconoclasten de gotiek, en maakten ze boeken machtiger dan architectuur (zoals Victor Hugo ons heeft geleerd); toen vernietigden ze de ornamentiek, in een poging om waarheid en betekenis direct in het bloed te brengen. [...] Adolf Loos (de Oostenrijkse architect die in zijn beroemde essay Ornament und Verbrechen in 1909 versieringen tot misdaden verklaarde, red.) had het bij het verkeerde eind: wreedheid en misdaad zitten niet in het ornament, maar in de afwezigheid ervan.’

The Sympathy of Things is dan ook een onversneden pleidooi voor de terugkeer van het ornament. In navolging van Ruskin beschouwt Spuybroek decoratie niet als iets oppervlakkigs of overbodigs, maar als het ‘meest serieuze en rigoureuze onderdeel van vormgeving.’ Volgens hem zijn ornamenten een middel om ‘sympathie’ op te wekken voor voorwerpen. Ornamenten laten zien dat en hoe ze zijn gemaakt en, zo laat Spuybroek met hulp van Ruskin, Worringer en Heidegger weten, en: ‘gevoelens van tederheid zijn onmogelijk tenzij we something in the making zien.’

Met sympathie bedoelt Spuybroek letterlijk dat men met een voorwerp meevoelt; alleen dan kan er een relatie mee ontstaan. Met de gladde, steeds eendere voorwerpen die machines maken, is het moeilijk om een band op te bouwen, stelt hij vast. Iedereen die, zoals ik, in een nieuwbouwhuis woont, zal dit kunnen beamen: het is onmogelijk om gesteld te raken op de gladde opdekdeuren van kunststof en de grof afgezaagde stalen deurlijsten zonder profielen. Sterker nog, na een paar jaar begin je ze net zo te haten als Ruskin de geprefabriceerde gietijzeren zuilen uit zijn tijd.

Maar ornamenten in het digitale tijdperk moeten niet zo maar op gebouwen geplakt worden, zoals classicistische architecten deden. Het moeten gotische versieringen worden. Net als in gotische gebouwen moeten ornamenten en structuur met elkaar versmelten tot één geheel. En het mooie van het digitale tijdperk is dat ontwerpers dat met computers net zo goed en gevarieerd kunnen als de ambachtslieden in de gotiek.

Wondermachines

Zeker, computers zijn ook machines, geeft Spuybroek toe, maar ze zijn wel bijzonder. Anders dan de machines die Ruskin haatte, maken ze niet steeds dezelfde dingen, maar lijken ze juist gemaakt om steeds iets andere vormen te ontwerpen, die vervolgens door robots die op de wondermachine zijn aangesloten, kunnen worden vervaardigd. Zo is de computer bijna meer ambachtsman dan machine.

Om zijn betoog te verduidelijken heeft Spuybroek een stuk of veertig afbeeldingen opgenomen in The Sympathy of Things. Vreemd genoeg zijn dit bijna allemaal gotische of neogotische ontwerpen, zoals tekeningen van Ruskin van gotische ornamenten en, ribgewelven en bloemetjesbehang van Ruskins geestverwant William Morris uit 1875. Er staat niet één plaatje in van een computergotisch ontwerp, ook niet van Spuybroek zelf die in de loop der jaren toch een bescheiden computergotisch oeuvre heeft gebouwd. Zo blijft The Sympathy of Things een indrukwekkende theoretische beschouwing die de lezer ten slotte toch achterlaat met de vraag of de computer inderdaad een wondermachine is die gebouwen kan maken waarvan we net zo veel kunnen houden als van de gotische kathedralen.