De volle staart van Mick Jagger

Alexander Reeuwijk: Darwin, Wallace en de anderen. Evolutie volgens Redmond O’Hanlon. Atlas, 270 blz. € 24,95

Wie in het Nederland van 2011 Charles Darwin zegt, zegt al snel Redmond O’Hanlon. De Britse natuurwetenschapper was in Nederland al bekend als vriend van Boudewijn Büch en schrijver van luchtige natuurwetenschappelijke reisboeken. Zijn naam als Darwin-expert vestigde hij in het Darwinjaar 2009, toen hij voor een televisie-serie van de VPRO Darwins Beaglereis overdeed. O’Hanlon vertelde in Beagle met zoveel verve over de evolutiereis die Darwin tussen 1831 en 1835 maakte, dat hij uitgroeide tot de ankerman van het programma.

Tijdens die reis biechtte O’Hanlon op te lijden aan een hardnekkig writer’s block. Enigszins verdekt is, met Darwin, Wallace en de anderen. Evolutie volgens Redmond O’Hanlon. toch zijn nieuwe boek verschenen. Reisschrijver Alexander Reeuwijk is weliswaar de auteur, maar uit de inleiding blijkt dat O’Hanlon de geestelijk vader is van zowel de inhoud als de structuur.

Dit boek over het evolutiedenken in de 18de en 19de eeuw wordt verteld aan de hand van de rijke collectie van de Artis-bibliotheek, die ook een groot deel van de schitterende illustraties in het boek leverde. De collectie werd waar nodig aangevuld met de privé-collectie van O’Hanlon. De structuur van het boek baseerde Reeuwijk op ‘enkele kartonnen mappen’ waarin het tastbare resultaat van O’Hanlons jarenlange evolutiestudie genoteerd stond.

De geschiedenis van het evolutiedenken laat zich vertellen aan de hand van haar belangrijkste voormannen: Charles Darwin (1809- 1882) en Alfred Russel Wallace (1823-1913). Zij kwamen onafhankelijk van elkaar tot de evolutietheorie op basis van natuurlijke selectie.

Darwin ontdekte de ingrediënten voor de evolutietheorie toen hij tijdens zijn Beaglereis de Galápogos-eilanden aandeed. De snavel van een inheemse vinkensoort, later omgedoopt tot darwinvinken, bleek groter of kleiner naarmate de omstandigheden op deeleilanden dat verlangde. De aanpassing van de vinkensnavel bleek van essentieel belang voor het begrip van evolutie: aanpassing omwille van overleving.

Die andere voorman, Wallace, kwam op een wat eigenaardigere manier aan zijn theorie. Door een scheepsbrand in 1852 verloor hij naast zijn instrumenten, alle specimen die hij in de vier jaar daarvoor in Zuid-Amerika had verzameld. Op zoek naar nieuwe natuurwetenschappelijke parafernalia reisde hij in 1854 naar Maleisië, om tijdens zijn acht jaar durende verblijf in een koortsaanval tot zijn evolutietheorie te komen. Waar Darwin dus twintig jaar over deed, kostte Wallace slechts een avond.

Darwin was ontdaan door Wallaces ontdekking, hem meegedeeld in een brief. Darwin vreesde dat men hem zou vergeten als ontdekker van een unieke theorie. Toch wordt vandaag de dag Darwin, en niet Wallace, gezien als de man die in de 19de eeuw de evolutietheorie op de kaart heeft gezet. Dat mag op basis van dit boek onterecht worden genoemd, maar in zijn context is het wel verklaarbaar.

Middenklassenman Wallace raakte in het klassengevoelige Victoriaanse Engeland uit de gratie bij natuurwetenschappers uit de bovenklasse als Darwin, Huxley en Lyell. Wat Wallaces geloofwaardigheid als wetenschapper bovendien ondermijnde was zijn uit Maleisië geïmporteerde geloof in spiritisme: het geloof in een ziel dat alle levende aardse wezens verbindt.

Wallace was het oneens met Darwins theorie van seksuele selectie en de onenigheid daarover zorgde voor de definitieve breuk tussen beide heren. Volgens de theorie van seksuele selectie behouden dieren specifieke eigenschappen die niet zo zeer cruciaal zijn voor de overleving, maar voor de voortplanting. Mooi voorbeeld is de paradijsvogel. Vrouwtjes selecteren een mannetje op basis van de volste staart. Volgens O’Hanlon kun je dat het best vergelijken met het feit dat alle vrouwen met Mick Jagger naar bed willen: ‘Snel met de popster naar bed en verder een saaie man die voor jou en de hippe kindertjes zorgt.’

Het is een van de vele grappige opmerkingen van O’Hanlon die dit boek rijk is. Dat die opmerkingen en anekdotes zo goed uit de verf komen is te danken aan Reeuwijk die niet alleen O’Hanlons woorden notuleert maar ook beschrijft hoe O’Hanlon zich tijdens gesprekken naar hem toe buigt, op het puntje van zijn stoel zit, opveert om iets te pakken en zijn woorden kracht bijzet door zijn ogen te sperren en indringend naar zijn gastheer te wijzen.

Op het verhaal over Darwin en Wallace volgt een rijke voorgeschiedenis van het evolutionaire denken. Daarin wordt duidelijk dat de evolutietheorie rond 1850 niet uit de lucht is komen vallen. Bewijs voor de ouderdom van de aarde werd gevonden bij contemporaine geologen en paleontologen, ideeën voor selectiemechanismen bij Malthus, wetenschappelijk benadering van natuuronderzoek bij Von Humboldt.

De evolutietheorie van Darwin en Wallace is, in de woorden van O’Hanlon, een ‘apotheose van een roerige politieke, economische en wetenschappelijke eeuw. Schitterend, wat een geschiedenis!’ Door de prachtige illustraties in dit boek – vaak gemaakt door natuurwetenschappers als Ernst Haeckel (1834-1919) – en een aaneenschakeling van grappige natuurwetenschappelijke anekdotes van met name O’Hanlon, mogen die woorden zeker ook voor dit boek gelden.