De mens van nu is grondeloos

Jan-Hendrik Bakker: Grond. Een pleidooi voor aards denken en een groene stad. Atlas, 325 blz. €24,95.

Het moet een onooglijk voorwerp geweest zijn dat uitvinder Henry Rose het toegestroomde publiek liet zien op de Country Fair van DeKalb, Illinois, in 1873. Het betrof een stuk hout met daarop scherpe draadpunten, een nagebootste doornstruik waarmee je het vee kon tegenhouden. Zeker drie toeschouwers, schrijft de filosoof Jan-Hendrik Bakker in zijn boek Grond, pikten het idee en pasten het toe op ijzerdraad.

Zo werd het prikkeldraad geboren. Nu was het gemakkelijk om stukken prairie af te zetten, en nu kregen de boeren allengs meer overwicht op de rondtrekkende cowboys met hun vee. Het einde van het Wilde Westen kwam in zicht. Boer en bezit wonnen het van de nomaden.

Er is misschien een Nederlandse filosoof voor nodig om stil te staan bij zoiets laag-bij-de-gronds als prikkeldraad en de implicaties ervan. Jan-Hendrik Bakker, filosoof en journalist bij het AD, is zo iemand. Hij schreef eerder over stedelijkheid, landelijkheid en de overgang tussen die twee. Nu heeft hij een boek geschreven over de laag-bij-de-grondsheid zelf.

Zó basaal is grond, aldus Bakker, dat het niet mogelijk is hem in ongrondige termen te beschrijven. ‘Bijna-letterlijk’ wil hij zijn onderwerp opvatten, wat erop neerkomt dat hij aarde telkens als basis neemt voor wijd uitwaaierende en soms hoog opstijgende excursies, die eerder verkennend dan betogend van aard zijn – Bakker is meer een landmeter dan een geoloog. Zo knoopt hij het prikkeldraad aan landbezit en privatisering, aan de openbare ruimte in de stad, aan openbaar vervoer en dan aan openbaar debat. ‘In- en uitsluiting kunnen uiteindelijk altijd herleid worden tot de onwil grond te delen met anderen’, schrijft hij. ‘Tussen common grounds en common sense bestaat een verband.’

Zevenmijlslaarzen heeft Bakker soms aan. Hij wil zijn onderwerp perspectief geven. De moderne mens lijkt grondeloos geworden, schrijft hij, los van zijn geboortegrond, wonend in een stenen wereld, op geen enkele manier meer met zijn poten in de modder op speellandjes, boerenland of dodenakker. Geen nomade maar een forens. Voor Bakker is daarmee veel verloren gegaan, want ‘we zijn stoffelijke wezens en ons geestelijk geluk hangt samen met de wijze waarop we dat accepteren’.

Gelukkig hoeft hij maar even met een nagel te krabben en aarde puilt overal tevoorschijn, letterlijk en figuurlijk. In Grond wisselt de helaas wat houterig formulerende Bakker reportages – over het tuincentrum, het opgraven van doden, stadsarcheologie, vastgoed en grondspeculatie – af met beschouwingen over het bezitsbegrip bij Locke, over grond bij vroegchristelijke mystici als Meister Eckhart en natuurlijk over Heidegger en de ‘bruine verleiding’ van de Blut und Boden-ideologie van de nazi’s. Er zit een overeenkomst tussen de hoofdstukken, maar naar één punt boort Bakker niet. Eerder brengt hij culturele, religieuze, ecologische en economische grondsoorten in beeld.

Veel is Bakker eraan gelegen het begrip ‘eigen grond’ uit te graven uit de giftige bodem van het nazisme. Hij heeft weinig op met Heideggers romantische verheerlijking van statisch, agressief provincialisme, maar voelt wel weer voor diens waardering van de plaats als drager van traditie en geschiedenis.

Bakker komt uit dichtbij het historische, zorgvuldige landschapsbegrip van iemand als Willem van Toorn, maar wil dit combineren met een open kosmopolitische geest. Geforceerde ontworteling door globalisering is uiteindelijk net zo intolerant en nietsontziend als provinciaals localisme, concludeert hij.

Zo toont Bakker zich zeer een man van de tijdgeest. Geschiedenis is in Grond het verhaal van hoe de mens zich oprichtte van de grond, hoe hij een horizon en vervolgens een hemel in de gaten kreeg en zich een weg naar deze verten construeerde, steeds hoger reikend naar universele waarden en omgevingen. Dat heeft het specifieke, lokale en bijzondere onder druk gezet en de mens van zichzelf vervreemd.

Nu anonieme, internationale, rigide structuren – zoals de voedselproductie, het bankwezen of het zorgstelsel – onder druk staan, is Bakker lang niet de enige die weer dicht bij huis op zoek wil naar basale, menselijke alternatieven en ervaringskennis. We kunnen, vindt hij, best goed naar de grond kijken zonder daarbij de horizon te vergeten.

Ook elders blijkt Bakker een man van middenweg en tussenland. Ruimtelijke orde is bijvoorbeeld een kwestie van intelligent neglect, het ‘groene dictaat’ van natuurbeheerders kan even rigide zijn als het ‘rode dictaat’ van projectontwikkelaars.

Zijn jeugd bracht Bakker door aan de rand van de stad, in de jaren vijftig. Kennelijk heeft zich toen de horizon nadrukkelijk voor hem ontvouwd, want hij is goed in kantelingen van perspectief. Hij is bijvoorbeeld in staat een waarschuwing tegen monoculturen in de landbouw in een handomdraai te veranderen in een kanttekening bij de zegeningen van universalisme en abstractie. Hij knipt steeds prikkeldraad door tussen afgescheiden terreinen.

Vreemd is dat hij bij alle perspectiefwisselingen Breughels schilderij ‘De val van Icarus’ niet noemt, noch de ontelbare landschermutselingen vóór het nazisme, noch de geschiedenis van stèle of grenspaal. Perspectief treft Bakker ten slotte in de Transition Towns van de Britse pionier Rob Hoskins, die poogt stad en land weer dooreen te mengen en en passant nieuwe gemeenschappen te smeden.

Wat hij schrijft over stadslandbouw bevestigt Bakkers positie als postecologische en posteconomische denker. Uiteindelijk gedijt de mens niet in een volkomen artificiële omgeving, maar in volstrekte soberheid terug naar de natuur is evenmin een optie. Het gaat erom het armetierige economische denkkader los te laten, te erkennen dat er ook andere waarden zijn dan die van geld.

Het is zaak nieuwe, moderne mengvormen te vinden van economie en ecologie, van aarde en aspiratie. Dat pioniersbesef brengt Bakkers originele bodemonderzoek je uitstekend bij.

    • Maartje Somers