'De kunst en de religie dienen dezelfde doeleinden'

Sofia Goebaidoelina is een van de grootste levende componisten. Ze is in haar lievelingsstad Amsterdam voor een serie concerten ter ere van haar 80ste verjaardag.

Sofia Asgatovna Gubaidulina - portrait of Russian composer, January 2007, UK.  /Hollandse Hoogte

Sofia Goebaidoelina, opgeleid in Kazàn en Moskou, woonachtig in de buurt van Hamburg, geldt als een van de grootste levende componisten. Deze week is zij in Amsterdam om een serie concerten ter ere van haar tachtigste verjaardag bij te wonen. Net als vijf jaar geleden, toen ze 75 werd. Waarom juist hier? „Eerlijk gezegd is Amsterdam mijn lievelingsstad”, zegt de componiste tijdens een gesprek in het Concertgebouw. „Omdat ik gemerkt heb dat hier het beste publiek is, mensen die werkelijk van muziek houden, die kunnen onderscheiden tussen wat goed is en wat slecht.”

Sofia Goebaidoelina is een kleine vrouw met grote, sprekende ogen. In de catacomben van het Concertgebouw, tasje met partituren in de hand, staat ze er wat verloren bij. Ze is onzeker over haar Duits, hoewel ze die taal verzorgd spreekt. Ze legt uit dat ze alleen woont in een klein gehucht, waar ze zich omringt met „muziek, muziek, muziek”.

Het is precies die onvoorwaardelijke toewijding aan de „diepzinnige substantie” van de muziek waarmee ze nog op hoge leeftijd werk van uitzonderlijke intensiteit schept, zoals haar adembenemende Tweede Vioolconcert In tempus praesens uit 2007. Muziek die dondert en fluistert, snerpt en zingt, en waarin ze een universele kern probeert te raken.

De afgelopen twintig jaar is Goebaidoelina wereldwijd met prijzen overladen, maar het grootste deel van haar leven werkte ze in anonimiteit. Haar weigering zich aan de voorschriften van het socialistisch-realisme te conformeren betekende in de Sovjet-Unie praktisch een uitvoeringsverbod. Om brood op de plank te krijgen schreef ze als freelancer muziek voor tekenfilms. Toch verhuisde ze pas ná de val van het communisme, in 1992, naar Duitsland. Waarom juist toen?

„De vrijheidssituatie was weliswaar verschrikkelijk, maar vormde niet de aanleiding voor mijn verandering van levensstijl”, legt Goebaidoelina uit. „Ik heb altijd gezocht naar een plek in de nabijheid van de natuur. Ik ben opgegroeid in Kazàn, een grote industriestad, en vervolgens heb ik veertig jaar in Moskou gewoond. Zo hectisch, zo industrieel, zo onnatuurlijk… En buiten Moskou was het te gevaarlijk. Toen deed zich opeens de mogelijkheid voor om een huis te kopen in een dorpje nabij Hamburg. Het kwam te laat, ik was al zestig, maar voor mij was dat het geluk. Ik had twintig jaar in de stilte van een dorp gekregen!” Haar ogen beginnen te stralen. „De natuur is de enige plek waar ik werkelijk leef. Dat is mijn echte leven, in de natuur, in de stilte. De rest, werk, zaken, is voorbereiding daarop.”

In de loop van haar jarenlang door de Sovjetautoriteiten gefnuikte carrière is Goebaidoelina’s werk door vele grote musici omarmd, aanvankelijk vaak clandestien. Daarvoor is zij intens dankbaar, want: „Zonder musici bestaat er geen muziek.” Zo was het begin jaren tachtig Gidon Kremer die het Westen via haar Eerste Vioolconcert Offertorium voor het eerst met Goebaidoelina liet kennismaken.

De mogelijk belangrijkste aanmoediging ontving Goebaidoelina in 1959 van Sjostakovitsj. Na haar examen, waarbij de professoren haar om haar „onverantwoordelijke stijl” hadden berispt, drukte hij haar op het hart vooral op haar „verkeerde” weg verder te gaan. Een opmerking, aldus Goebaidoelina, die ze niet alleen in die moeilijke tijden, maar gedurende haar hele leven ter harte heeft genomen. Het volgen van opgelegde regels is zinloos, want: „Alleen in echtheid kan ware kunst ontstaan.”

Het etiket ‘religieus componist’ dat vaak op haar geplakt wordt, wijst Goebaidoelina categorisch van de hand. „In mijn werk heb ik religieuze intenties, maar ik heb nooit een noot voor de kerk geschreven. Ik ben ervan overtuigd dat haast alle kunst religieus is, omdat kunst en religie hetzelfde doel hebben: de verbinding tot stand brengen tussen het ik en iets volkomens. Het gaat om het maken van een verbinding tussen de horizontale as van mijn bestaan in de wereld, en de verticale as van het absolute. Het kruis is mijn favoriete symbool. Het bestaan kun je zien als de verwerkelijking van die vorm.”

Met de door haar bewonderde componisten J.S. Bach en Anton Webern deelt Goebaidoelina een fascinatie voor tellen en structuur. Zo keert de kruisvorm regelmatig terug in haar partituren, bijvoorbeeld als het kruisen van dalende en stijgende lijnen, en experimenteert ze sinds de vroege jaren tachtig met rekenkundige modellen als de Fibonacci-reeks. Maar op beslissende momenten laat zij zich steeds leiden door haar muzikale intuïtie. En het klinkende resultaat is nooit koel of berekenend, maar muziek met een ademende kwaliteit.

Goebaidoelina heeft het schrijven van rusten ooit haar specialiteit genoemd. Het meest extreme voorbeeld daarvan staat in de twaalfdelige symfonie Stimmen… Verstummen... (1986), waar ze een ‘dirigentsolo’ voorschrijft. Een choreografie van handen die zich voltrekt in volmaakte stilte. „Ik ben ervan overtuigd dat in de stilte iets wezenlijks bestaat”, verklaart ze. „Het is geen lege ruimte. In die statische toestand gebeurt iets wat men slechts door diepe concentratie op het spoor kan komen.”

De wereldpremière van Goebaidoelina’s Concert voor orkest werd haar geliefde Amsterdamse publiek donderdagavond opnieuw onthouden. Het werk is zo goed als af, alleen het einde ontbreekt nog. Ze zegt het haast verontschuldigend. Geplaagd door ziekte heeft Goebaidoelina het compositieproces tot haar spijt moeten staken. „Want componeren als ik ziek ben gaat niet. Dan komt er gif vrij in de muziek. Ik moet gezond zijn, ik heb al mijn kracht nodig.”