Bob Dylan brengt zijn klassiekers terug tot hun abstracte essentie

Bob Dylan en Mark Knopfler, 20/10 Ahoy Rotterdam. ****

Nostalgie is een slecht uitgangspunt om naar een concert van Bob Dylan te gaan. De zeventigjarige zanger doet er niets aan om op zijn oude zelf te lijken, met een stem die er hevig op los knauwt en kraakt. Tot ongenoegen van de fans van Mark Knopfler, de veel saaiere zanger van Dire Straits die als voorprogramma was toegevoegd om publiek te trekken. Nergens voor nodig, want Dylan heeft zichzelf heldhaftig opnieuw uitgevonden als een artiest die zijn muziek deconstrueert en vanaf de grond weer opbouwt, waar Knopfler terugvalt op overdadig sologitaarspel en gezapige kampvuurmuziek rondom zijn vlakke zang.

Met zijn grote staat van dienst en invloedrijk oeuvre heeft Bob Dylan zich het recht verworven om muziek te maken op zijn eigen voorwaarden. Op recente platen grijpt hij terug naar de blues- en swingmuziek uit zijn jeugd, met een stem die getekend is door de jaren. Zijn band van dienende routiniers volgt hem in al zijn nukken, met de fantastische gitarist Charlie Sexton die zich zelden naar de voorgrond dringt. Voor liefhebbers van de oude Dylan als protestzanger met akoestische gitaar was het in eerste instantie een teleurstelling, dat de meester tegenwoordig om gezondheidsredenen achter een orgeltje plaatsneemt en nauwelijks gitaar meer speelt. Dylan heeft de kunst van het orgelspelen inmiddels onder de knie, en jengelt een aardig potje mee met zijn geoliede band.

In Ahoy was het gisteren goed nieuws dat hij al bij het tweede nummer toch een gitaar pakte en een monotoon It ain’t me babe liet horen. Als podiumartiest is hij nooit geïnteresseerd geweest in het klakkeloos naspelen van de plaatversies en Dylan heeft nu het stadium bereikt dat hij zijn klassiekers tot hun abstracte grondlijnen terugbrengt. Met grove vegen van zijn getergde stembanden bracht hij A hard rain’s a-gonna fall, Highway 61 revisited en het uitbundige openingsnummer Leopard skin pill box hat. Zijn mondharmonica klonk als een misthoorn in de nacht, te midden van de vele lange lappen tekst die hij schijnbaar onbewogen uit zijn enorme liedjesgeheugen oplepelde.

Beter nog klonk het recente materiaal van de historisch getinte trilogie Mississippi, High water en Blind Willie McTell waarin hij het Amerikaanse bluesverleden krachtig naar zijn hand zette.

Het trage ritme van Workingman’s blues #2 bracht een adempauze voordat hij met Ballad of a thin man, All along the watchtower en Like a rolling stone een zoekplaatje ontrolde van pas bij hun tweede of derde couplet herkenbare succesnummers.

Bob Dylan was in vorm en geeft aan het eind van zijn carrière een verbluffend nieuwe ademtocht aan de muziek die hem groot heeft gemaakt. Alleen bij de dames-wc werd gemopperd door oude meisjes die voor welluidende Knopflermuziek waren gekomen: „Niet om áán te horen!”

    • Jan Vollaard