Biograaf, snel, verzin een Liszt!

Wonderkind, idool, womanizer, showman – pianovirtuoos Liszt bracht bij leven hysterie teweeg. Morgen is het tweehonderd jaar geleden dat hij werd geboren.

Frans Liszt FOTO: Paul Nadar

John Spurling: A Book of Liszts. Variations on the Theme of Franz Liszt. Seagull Books, 229 blz. € 21,-

Oliver Hilmes: Liszt. Biographie eines Superstars. Siedler, 431 blz. € 28,-

Is Franz Liszt, 200 jaar geleden geboren, inmiddels zo geliefd en geaccepteerd, dat hij moet worden verdedigd tegen zijn bewonderaars? Dat vroeg pianist Alfred Brendel zich af in een Duitse krant aan het begin van dit Lisztjaar. Als dat waar is, heeft Brendel er het nodige aan bijgedragen. Toen hij Liszt (1811-1886) begon uit te voeren in de jaren vijftig werd diens muziek nog vaak gezien als ‘virtuoos’ in de slechte zin van het woord: vol effecten maar inhoudsloos. Liszt is weliswaar altijd kernrepertoire gebleven voor romantische klavierleeuwen, maar dat een kunstenaar als Brendel met zijn strenge, vergeestelijkte pianistiek, Liszt als componist zo serieus neemt, heeft velen te denken te geven.

Vooroordelen waren (en zijn) er niet alleen tegenover zijn muziek, ook tegenover de persoon Liszt bestond (en bestaat) wantrouwen. Hij was een wonderkind, vrouwenmagneet, idool, showman, pianogoeroe, en is ook nog eens op latere leeftijd toegetreden tot de Roomse kerk, waarna hij het priesterhabijt ging dragen, al was hij nooit een volwaardig priester en dus ook niet gehouden aan de gelofte van het celibaat. Getuigt dat alles wel van goede smaak? Kan het niet wat minder?

Liszt, de historische figuur zowel als zijn muziek, profiteert ervan dat inmiddels lang niet meer zo duidelijk en zeker is wat goede smaak precies behelst, wat ‘performance’ is en wat authentiek. De serieuze muziek kan wel wat ‘spektakel’ gebruiken, heeft dat misschien zelfs nodig om het vege lijf te redden in de 21ste eeuw – met een ijzeren repertoire dat alleen maar ouder wordt en waar zelden iets bijkomt. Virtuositeit staat niet meer in zo’n kwade reuk.

Liszt past in een modernistische kijk op de muziekgeschiedenis, die in het teken staat van voortdurende vernieuwing. Vooral zijn late, experimentele pianowerken zijn daarvoor exemplarisch, zoals zijn fameuze ‘Bagatelle sans tonalité’.

Vernieuwers

Schönberg was zich uitermate bewust van zijn schatplichtigheid aan Liszt. Maar ook als een van de grote vernieuwers van de muziek als theater en spektakel was Liszt (met zijn voorbeeld Paganini) van groot belang. Hij vond niet alleen het moderne pianorecital uit – Liszt was de eerste die moederziel alleen een hele avond vulde. Hij was zich ook uitermate bewust hoe hij zich moest bewegen als hij het podium opkwam en welke houding hij moest aannemen tijdens zijn spel, om zijn publiek in de ban te houden. Hij zette de piano dwars zodat voor het publiek zijn handen zichtbaar werden.

Het resultaat mocht er zijn. Heinrich Heine sprak van ‘Lisztomanie’, om de hysterische taferelen te typeren die Liszt op het hoogtepunt van zijn roem als pianovirtuoos omringden. Vrouwen dweepten met hem, graaiden in een restaurant zijn half opgerookte sigaar uit de asbak om er verzaligd op verder te paffen, en goten zijn half opgedronken kopje thee in een flacon, om voor eeuwig te koesteren. Zijn gebroken pianosnaren waren relieken.

De pianist als superster; de Duitse biograaf Oliver Hilmes gebruikt dat woord niet zonder reden in de titel van zijn degelijke, maar weinig opzienbarende biografie. Hilmes, die eerder biografieën schreef over Alma Mahler en Cosima Wagner, vertelt zijn verhaal vaardig en snel, zonder al te veel analyse. Hij doet het werk van Liszt duidelijk te kort – belangrijke composities behandelt hij in hooguit enkele alinea’s. Als populariserende, toegankelijke biografie is zijn werk nuttig, maar het standaardwerk blijft de driedelige, inmiddels twintig jaar oude biografie van Alan Walker.

Het leven van Liszt kende vele dramatische wendingen: hij verloor zijn vader (die ook zijn impresario was) als zeventienjarige; een gebeurtenis die hem in een diepe crisis stortte. Jarenlang trad hij niet op, en twijfelde ernstig of hij zijn leven als musicus niet moest opgeven voor de een bestaan als geestelijke. Hij leek zo verloren dat een Franse krant abusievelijk zijn dood meldde toen hij nauwelijks achttien was.

Onbekende hymne

Dat is ook wel passend, want de dood is een van de grote obsessies van zijn muziek: van orkestwerken als ‘Les Préludes’ (Voorwoord bij de partituur: ‘Wat is het leven anders dan een serie voorspelen bij een onbekende hymne, waarvan de eerste toon de dood is?’) tot zijn beroemde pianostukken als zijn dodenmars ‘Funérailles’ en ‘La lugubre gondola’, waarin hij Wagners dood zou hebben voorvoeld.

In het werk van Liszt is de dood niet alleen onontkoombaar, maar ook bitter, hard en onverzoenlijk, wat wellicht een deel van de weerstand tegen zijn muziek verklaart, die ondanks Brendel toch nog niet helemaal is verdwenen. Die verlatenheid en troosteloosheid lijken merkwaardig voor een componist die zulke sterke religieuze emoties en overtuigingen had als Liszt.

Het werk van Liszts voornaamste biograaf, Alan Walker, was een belangrijke bron voor John Spurling in zijn excentrieke, speelse, geestige en leerzame verzameling literaire fantasieën rond Liszt, A Book of Liszts. ‘Mijn biografie zal eerder moeten worden uitgevonden dan feitelijk worden weergegeven’, zei Liszt ooit. Spurling neemt dat serieus. Biograaf, verzin een Liszt!

In zijn eerste hoofdstuk voert Spurling ‘The Society of the Holy Plurality’ op. De leden daarvan geloven dat God niet eenmaal, in de persoon van Jezus, over de aarde heeft gewandeld, maar diverse malen, waaronder – en daarover kan worden gedebatteerd – in de verschijningsvorm van Franz Liszt. Ook laat Spurling Frans Liszt, die altijd onderweg was, debatteren met zijn tijdgenoot, de econoom Friedrich List, die een groot voorvechter was van de nieuwe spoorwegen.

De bediende van de grote man, Spiridon Knezevic, komt aan het woord, zodat het lichamelijk verval en al de dagelijkse, fysieke ongemakken van zijn baas scherp in beeld komen. Veel aandacht gaat uit naar Liszts intens erotische gedrevenheid, en daar schrijft Spurling aanstekelijk over. Zo ontstaat een ‘Liszt in variaties’, deels gebaseerd op degelijke historische bronnen, deels op invulling van de auteur, waar de bronnen zwijgen of te kort schieten.

Mag dat zo maar, feit en fictie vermengen? Liszt zelf heeft zo zijn bedenkingen, in een hoofdstuk waarin hij verhaal komt halen bij Spurling: ‘Waar bent u in vredesnaam mee bezig?’ Maar Spurling houdt hem voor dat hij niet anders te werk gaat als Liszt zelf, die alles wat hij zag, las en meemaakte omzette in muziek. Hij heeft geen enkele pretentie zo de ‘echte’ Liszt te vangen. Toch lijkt hij een heel eind te komen – verder in elk geval dan een al te brave biograaf als Hilmes.