Beleggen in kwaliteitsaandelen lijkt goed idee

Hoewel de lage beurskoersen in de hele wereld duiden op grote onrust bij beleggers, lopen de waarderingen van individuele aandelen enorm uiteen. Eén optie is op zoek te gaan naar koopjes, maar beleggers doen er wellicht beter aan hun geld in kwaliteitsaandelen te steken.

De tweehonderd grootste beursgenoteerde bedrijven worden gemiddeld verhandeld op 11,5 maal de verwachte winst over het komende jaar, aldus de Starmine-databse van Thomson Reuters. Achter dit gemiddelde gaan grote verschillen schuil, zelfs als de allergrootste uitschieters buiten beschouwing worden gelaten. Het Britse olieconcern BP wordt op zes maal de winst verhandeld, terwijl het Franse cosmeticaconcern L’Oréal tegen een koers-winstverhouding van achttien maal de geraamde winst aankijkt.

Aandelen met een koers die lager is dan gemiddeld zullen beslist de aandacht trekken van koopjesjagers – vooral als die gemiddelden zelf op grond van historische normen laag zijn. Maar onderzoek van zakenbank Morgan Stanley, dat op 17 oktober werd gepubliceerd, ondersteunt de tijdloze wijsheid dat beleggers vaak krijgen waarvoor ze betalen, en dat het dikwijls de moeite waard is een premie te betalen voor hogere kwaliteit.

Dikwijls, maar niet altijd. Morgan Stanley staat ook stil bij de zogenoemde Nifty Fifty-aandelen (‘toffe vijftig’) uit de jaren zestig. Deze aandelen zouden een hoge groei en lage risico’s bieden en sommige fans betoogden dat de onderhavige bedrijven – zoals IBM, Proctor & Gamble en Polaroid – vrijwel zeker genoeg zouden groeien om iedere waardering te kunnen rechtvaardigen.

Een tijdlang ging dit ook goed. Van 1964 tot 1972 groeiden de winsten van de Nifty Fifty-bedrijven harder dan die van hun Amerikaanse branchegenoten, en overtroffen hun koersen de S&P-index met 15 procent per jaar. Maar enthousiasme sloeg om in overdrijving. Het koers-winstgemiddelde van de Nifty Fifty bereikte op het hoogtepunt van de bloei van de aandelenmarkten veertig maal de verwachte winst. Maar in 1973 en 1974 stortten de koersen in. Daarna presteerden de Nifty Fifty slechter dan gemiddelde.

De huidige markt lijkt meer op die van 1964 dan op die van 1972. Van de tweehonderd grootste bedrijven ter wereld ligt de kopgroep van vijftig op koers om komend jaar een winstgroei van gemiddeld 20 procent te verwezenlijken. Volgens Starmine worden deze aandelen verhandeld op een koers-winstgemiddelde van dertien maal de verwachte winst. Zelfs als de schattingen van de analisten te optimistisch blijken, lijkt er veel waarde te schuilen in deze nieuwe Nifty Fifty-generatie.

Robert Cole

Vertaling Menno Grootveld