Pensioenen weer onder druk

Het goede nieuws voor werknemers en werkgevers is dat de meeste pensioenfondsen volgend jaar niet worden verplicht om hun premies éxtra te verhogen. Tot zover het goede nieuws.

De Nederlandsche Bank, de toezichthouder, geeft de pensioenfondsen een jaar respijt om hun financiële positie, die op zichzelf aanleiding is de premies verder te verhogen, op orde te krijgen. Dat is verstandig, want aantasting van de koopkracht van werknemers en de winsten van bedrijven, die het gevolg zou zijn van een premieverhoging, is slecht voor de al fragiele economie met haar oplopende werkloosheid.

Maar het onvermijdelijke gevolg is dat de koopkracht van gepensioneerden er wel op achteruitgaat. Pensioenfondsen moeten nu grijpen naar de andere middelen waarover ze beschikken om hun dekkingsgraad op peil te krijgen. Daarmee is het, vooral ten gevolge van de aanhoudend lagere rentestand, slecht gesteld. Ter illustratie: de dekkingsgraad van het grootste pensioenfonds, ABP, is in het derde kwartaal van 112 naar 90 procent gedaald. Het op een na grootste pensioenfonds, Zorg en Welzijn, zakte van 110 naar 91 procent. Metaal en Techniek komt uit op 84,3 procent. Dat is ver beneden het wettelijk voorgeschreven percentage van minimaal 105, en dus kunnen de fondsen niet garanderen dat ze voldoende geld in kas hebben om (toekomstige) pensioenen te kunnen uitkeren.

Het ligt niet voor de hand dat het resterende jaar nog afdoende economisch herstel zal laten zien. Dus komen er andere drastische maatregelen op een niet eerder vertoonde schaal aan: pensioenbevriezing en zelfs pensioenverlaging . „We moeten misschien vervelende maatregelen nemen”, laat Zorg en Welzijn vandaag zijn deelnemers weten.

Het pensioenakkoord tussen werkgevers, vakcentrales en kabinet biedt geen soelaas, het gaat waarschijnlijk pas in 2014 in. Bovendien is daarin een blijvend uitgangspunt dat er van extra premieverhogingen geen sprake zal zijn. Dus zullen de pensioenen, en ook de pensioenopbouw, onder druk blijven.

Dat de pensioenfondsen, vooral onder invloed van de Europese schuldencrisis, opnieuw in de problemen zijn gekomen, wekt nauwelijks verbazing. Hun structurele positie is feitelijk te zwak om economische crises het hoofd te bieden. Het blijft te betreuren dat de noodzakelijke verhoging van de pensioengerechtigde leeftijd slechts traag en met de grootst mogelijke omzichtigheid wordt doorgevoerd. Het vergt politici en sociale partners met de lef om in dit opzicht drastischer te zijn – en daarvan zijn er te weinig.

Werknemers en gepensioneerden moeten zich intussen realiseren dat de hoogte van hun (toekomstig) pensioen geen zekerheid is, maar slechts een nogal onbetrouwbare prognose.