Nu hebben we wat we wilden: agenten pikken niets meer

Ik had alle tijd om over mijn ervaring na te denken. Ik had zelfs zoveel tijd, dat ik niet meer wist hoeveel ik had. Het is namelijk lastig oriënteren zonder polshorloge, zonder mobiele telefoon, zonder riem en schoenen, in een kleine, helverlichte, raamloze cel van twee bij twee meter, met een ijskoude, roestvrijstalen bak die dienst doet als bank of bed.

Ja, ik zat in de gevangenis. Van zondagavond tot maandagochtend. De gevangenis bevindt zich onder spoor 7 van het Centraal Station van Utrecht.

Laat ik er maar meteen bij vertellen dat ik het lastig vind hierover te schrijven. Het heeft iets potsierlijks. De toon is al snel larmoyant of juist vol misplaatste heldhaftigheid.

Bovendien ga je twijfelen aan je waarneming. Als je opgesloten zit en geen stemmen of voetstappen hoort, merk je dat iets alleen waar is als een ander het helpt beoordelen. En de politie heeft altijd meer getuigen dan jij. Ze geven je niet eens het door jou ondertekende proces-verbaal mee.

Maar genoeg gezeurd, waar ging het over?

Ik kwam met de trein uit Frankfurt, waar ik de Buchmesse had bezocht. Om tien uur ’s avonds zou ik overstappen op de stoptrein naar Breukelen, waar mijn zoon mij zou afhalen met de auto. Ja, hier is het enige bewijs dat ik iets heb meegemaakt: mijn zoon bevestigt dat ik niet kwam opdagen. Hij vertelde zelfs dat hij mij opbelde en dat na een paar pogingen iemand mijn telefoon opnam en met rustige stem zei: „Deze meneer zit vast op het bureau wegens belediging van een ambtenaar in functie.”

In de stoptrein zat een oudere vrouw met een hoofddoek, die door de conducteur streng werd toegesproken. Streng is eigenlijk het woord niet, hij was haar aan het uitfoeteren. Ik kon niet precies volgen waar het over ging, maar omdat de vrouw bleef zwijgen en naar haar schoot keek, leek het mij iets onredelijks en onrechtvaardigs te hebben. Dus zei ik er wat van. Wat ik zei was: „Wie denk je dat je bent, Geert Wilders?”

De conducteur keek op, greep zijn portofoon, riep om ondersteuning, en voor ik het wist was ik door drie mannen naar een cel gebracht. Waar ik, zoals ik zei, alle tijd had om na te denken. Over mijn overtrokken reactie en over de overtrokken reactie van de conducteur en over waarom het hele voorval niets voorstelde, maar dat het toch wel iets zei over onze samenleving. Maar wat?

Toen ik vijfendertig jaar geleden naar Nederland kwam viel mij vooral de mondigheid van de Nederlandse burgers op. Op de universiteit werden de docenten bij hun voornaam genoemd en een van mijn eerste ervaringen was in de Kalverstraat in Amsterdam, waar twee agenten een muzikant sommeerden zich te verwijderen, waarop omstanders geld in de gitaarkoffer gooiden en aan de agenten zeiden dat ze maar boeven moesten gaan vangen. Als je dat in Suriname zou hebben uitgehaald, hadden ze wel meer gedaan dan je opsluiten.

Maar in vijfendertig jaar is veel veranderd. Terwijl de vrijheid van meningsuiting welhaast absoluut is geworden, is de verhouding tot het wettelijke gezag bijna omgekeerd. Onze agenten hoeven niets meer van ons te pikken. En dat hebben we zelf zo gewild. Want we vinden met z’n allen dat de burgers te brutaal zijn geworden en dat de orde hardhandiger moet worden gehandhaafd. Dat is dus gebeurd, de orde is gehandhaafd. De mondigheid van het hippietijdperk wordt niet meer op prijs gesteld.

Ik zal in het vervolg beter op mijn woorden moeten letten. Niet al te flink willen zijn. Mij gedragen zoals ik dat in de derde wereld zou hebben gedaan: nederig en respectvol.

Anil Ramdas