Met Nietzsches paard en visie de poesta op

Béla Tarr is een van de grootste en invloedrijkste cineasten van deze tijd.

In zijn weergaloze film The Turin Horse is het leven teruggebracht tot overleven.

De Griekse filosoof Plato vergeleek de menselijke ziel met een span paarden, in toom gehouden door een wagenmenner. Die voerman was de rede, die zowel het nobele paard van de wil als het weerbarstige paard van de lust moest leiden. Een paar duizend jaar later rekende Friedrich Nietzsche af met dat beeld. Hij zag de mens als een ‘lichaam van vele zielen’, die tegelijkertijd de teugels in handen had en aan de leidsels moest gehoorzamen. Een conflictueus en contradictoir driftwezen, zonder definitieve waarden en waarheid, dat uiteindelijk ten prooi zou vallen aan nihilisme.

Het is niet zo verwonderlijk dat de Hongaarse filmmaker Béla Tarr (1955) in wat hij als zijn laatste film heeft aangekondigd die nietzscheaanse visie op de mens centraal stelt. Het weergaloze The Turin Horse, dat in februari op het Filmfestival Berlijn verdiend werd bekroond met een Zilveren Beer, opent met een voice-over die een anekdote vertelt over hoe Nietzsche op 3 januari 1889 in Turijn een koetsier een paard zag afranselen. Het verhaal wil dat Nietzsche zich wenend om de hals van het paard wierp en krankzinnig werd. „Van het paard”, zo vervolgt de vertelstem droog, „weten we niets.”

Béla Tarr is niet alleen een van de grootste cineasten van deze tijd, maar ook degene die net als Nietzsche het meest somber over de menselijke natuur is. Tarr wilde eigenlijk ook filosoof worden. Omdat hij als scholier een aantal kritische filmpjes had gemaakt, kreeg hij daar in het communistische Hongarije niet de kans voor. Dus werd hij filmmaker. Eerst van heel sociaal-geëngageerd werk, later van meer beschouwende films als het gelauwerde zevenenhalf uur durende Sátántangó (1994) en Werckmeister harmóniák (2000).

Het maakte hem zeer invloedrijk op de cinema wereldwijd en op een vreemde manier ook hip en heroïsch onder met name jonge filmliefhebbers. Tarr werd de ongekroonde koning van de contemplatieve cinema, bekend om zijn onwaarschijnlijk geniale gechoreografeerde camerabewegingen waar soms wel maanden aan gewerkt was. Essayist Susan Sontag zag hem als de laatste grote cineast en de redding van de cinema.

Het is een grote reputatie, die hij in The Turin Horse meer dan waarmaakt. Na zijn introductie over Nietzsches ontmoeting met het paard volgt Tarr paard en voerman helemaal tot op de Hongaarse poesta, waar een apocalyptische wind het land ranselt. Soms raast het paard en kan de voerman het dier nauwelijks in bedwang houden, dan weer moet hij hem aan z’n leidsels voortslepen. Rede en wil komen er niet meer aan te pas. Het is een en al drift en koppigheid. Geheel in de lijn van Nietzsches denken rest voerman en paard alleen nog de overgave aan de natuur en het aardse.

Dat is ook precies hoe Tarr filmt en wat zijn werk, ondanks z’n lastige imago, juist zo oprecht en toegankelijk maakt. De verzadigde zwart-witfotografie van Fred Kelemen is hypnotiserend en schilderachtig. De vertelstijl rechtlijnig en literair. Zoals in al zijn films is ook in The Turin Horse de kern van het leven teruggebracht tot overleven: slapen, opstaan, water halen, uit het raam staren, eten en weer naar bed. We zien de man en zijn dochter. We horen de wind. De tijd gaat voorbij. De wind teistert de oren, en soms klinken in die wind andere klanken: een hartbrekend wenend motief van cello en harmonium.

Het is dat minimale leven dat Tarr observeert in de zes dagen die in zijn film verstrijken voordat de wereld vergaat. Want in de repetitieve handelingen sluipt langzaam het onheil binnen. En dan zelfs, als het zwartste zwart is aangebroken, moet de mens verder. De laatste woorden van de man, als het licht gedoofd is: „We moeten eten.” Kom bij Tarr niet om hoop. Een hap van die rauwe aardappel. Het kan altijd nog minder.

The Turin Horse.

Regie: Béla Tarr. *****