Koerdische natie in Turkse staat

De haviken van de separatistische Koerdische Arbeiderspartij (PKK) hebben premier Erdogan van Turkije in het nauw weten te drijven.

Gewapende militanten van de PKK hebben gisteren vanuit Irak op Turks grondgebied aanvallen uitgevoerd op posten van de politie en het leger. Daarbij sneuvelden ten minste 24 Turkse militairen.

Zo’n heftige aanval van de PKK was in jaren niet meer voorgekomen. De actie bewijst dat het de radicale vleugel in de afscheidingspartij, die in februari de wapenstilstand opzegde, menens is.

Maar hoe te reageren? Turkse troepen achtervolgden de PKK-milities in de Iraakse bergen, waar ze zich vermoedelijk ophouden. De luchtmacht voerde beschietingen uit. En president Gül kondigde in Ankara „wraak” aan. Maar premier Erdogan, de belangrijkste leider in Turkije, bleef opmerkelijk ingetogen. Hij vermeed grote woorden.

Dat is geen toeval. De succesvolle mini-invasie van PPK-rebellen moet hem te denken geven: politiek en militair. Als onbetwiste leider van de conservatief-islamitische AK-partij heeft Erdogan dit jaar de strijd aangebonden met de legerleiding, die zich sinds Kemal Atatürk opstelt als hoeder van de seculiere staat. Dat leger heeft de PKK-aanval niet tijdig voorzien. De ‘inlichtingenposities’ zijn kennelijk niet op orde. Koren op de molen van de links-kemalistische CHP én de ultrarechtse MHP in de oppositie.

Politiek is Erdogan ook in het defensief gedrongen. In de regio trekt hij rond als het islamitische democratische alternatief voor de autoritaire regimes en potentieel theocratische fundamentalisten. Maar in eigen land is hij niet in staat tot pacificatie. Dat is niet goed voor zijn imago.

Ook in het Turkse parlement is Erdogans positie complexer dan zijn klinkende verkiezingsoverwinning in juni doet vermoeden. De AK-partij haalde weliswaar de helft van de stemmen, maar dat was niet voldoende voor de gekwalificeerde meerderheid die Erdogan nodig heeft om de Grondwet te veranderen. Deze ‘overwinningsnederlaag’ was vooral het gevolg van het succes van de links-nationalistische Partij voor Vrede en Democratie (BDP) in de Koerdische districten. Erdogan kan de BDP nog hard nodig hebben. Die paradox noopt tot voorzichtigheid.

Ook los van deze politieke calculaties doet de regering er verstandig aan niet te hard van stapel te lopen. Tegen separatistisch geweld moet worden opgetreden, zoals ook de NAVO-bondgenoten lieten blijken. Maar de Koerdische kwestie laat zich niet militair oplossen. Uiteindelijk moet de angel met politieke stappen uit het conflict worden getrokken.

Ooit zal ook Erdogan het gesprek moeten aangaan met de Koerden, zelfs met de ‘zachtere krachten’ rond de gewelddadige PKK.