Klepjes dicht, schuifjes toe

In de rubriek Vergeten bespreekt Rob Biersma (bijna) verdwenen voorwerpen. Vandaag de kolenkachel. „Hoe gezellig ook, een brandende kolenkachel kon gevaarlijk zijn. ”

Kachels, haarden. De kolenkachel verwarmt twee pannen, links de kolenkit, Nederland 1942.;

Een kolenkachel stak je niet zomaar even aan. Eerst moest er trek in de schoorsteen komen. Met een bouwseltje van aanmaakhoutjes en krantenproppen bracht je die op gang. Van onderen moesten de kleppen openstaan. Pas als er een flink vuur in de kachel was, kon je voorzichtig de eerste kolen bijvullen. Begonnen die te gloeien, dan kon er meer bij. Pas als de kachel goed op gang was, dan kon hij getemperd worden. Klepjes dicht, schuifjes toe en soms kon ook de pijp wat geknepen worden. Het samenspel van schoorsteen, kachel, weersgesteldheid en soort kolen: het luisterde allemaal nauw bij kolenstook.

Maar brandde de kachel eenmaal goed, dan had je ook wat. Kolenwarmte was leefwarmte – die slagzin van de kolenhandel werd breed onderschreven. Jammer alleen dat het zo’n gedoe was.

Allereerst moest de kachel de hele dag bijgehouden worden. Op tijd bijvullen sprak vanzelf, maar ook moest je de kachel geregeld oprakelen. Dat deed je door het rooster te schudden, waardoor de as in de asla viel. Slechte kolen vormden veel as, of soms zelfs slakken, die het rooster verstopten waardoor het vuur onvoldoende lucht kreeg. Met een pook kon je kleine slakken te lijf. Werd het te gek, dan moest de kachel uit om de slakken weg te halen.

Maar met goede antraciet hoefde dat zelden. Bij een kolenhaard met vultrechter was het de kunst om het vuur ’s nachts te laten overblijven. ’s Avonds werd de kachel langzaam getemperd tot hij heel zacht brandde. Goed gevuld hield hij het dan tot de volgende morgen uit. Hij hoefde dan alleen voorzichtig opgerakeld te worden. Vaak werd eerst de asla geleegd, omdat de as dan geen brandende kolen bevatte. Lag er buiten sneeuw, dan werd je geacht de as over het trottoir te strooien. De zouten in de as werkten hetzelfde als strooizout.

’s Winters was de kachel het middelpunt van het huis. Daar stond je thuisgekomen je tintelende handen warm te wrijven, daarop stonden koude schalen voor te warmen, daar lag de poes behaaglijk te wachten, daar zetten de kinderen met Sinterklaas hun schoentjes en daar staarde je ’s nachts naar de gloeiende sintels.

Hoe gezellig ook, een brandende kolenkachel kon gevaarlijk zijn. Wie de kachel te veel kneep, kreeg ‘kolendamp’, giftig koolmonoxide waaraan iedere winter tientallen mensen stierven.

Minder bekend is dat de massale kolenstook zoveel luchtvervuiling veroorzaakte, dat stedelingen een tekort aan ultraviolet licht kregen en daardoor een tekort aan vitamine D, de oorzaak van Engelse ziekte (rachitis). Zo verdween, na de ontdekking van het aardgas, niet alleen de gezelligheid van de kolenkachel, maar ook de levertraan.