Klein verschil

‘Er is me iets merkwaardigs overkomen”, zei mijn vriend, en hij viel meteen even stil, alsof hij het moeilijk vond om verder te gaan.

We bevonden ons in een drukbeklant etablissement en ik moest me steeds enigszins naar hem voorover buigen om hem goed te kunnen verstaan. Lastig was bovendien dat hij met zijn rug naar het invallende licht zat, zodat zijn gelaatsuitdrukking moeilijk te zien was. Hij klonk somber, maar zag hij er ook zo uit? Ik voelde me een blinde die naar meer aanwijzingen zoekt.

„Ken je Tania nog?” vroeg hij.

Tania? Jazeker, dacht ik, maar ik liet het bij een vaag knikje. Tania was oorlogsgebied. Tania was bloed, zweet en vooral veel tranen. Wie iets over Tania zei, zei ook iets over zichzelf. Hij had een jaar of tien met haar samengewoond, jaren met veel ups en downs – meer downs dan ups. Vrienden werden regelmatig bij de gevechtshandelingen betrokken om een broze wapenstilstand te bewerkstelligen. Ze moesten daarbij een zekere neutraliteit zien te bewaren om zelf geen onderdeel van het probleem te worden.

Hoe lang waren ze nu alweer uit elkaar? Hij had haar ten slotte weggestuurd, daar kwam het op neer. Technisch was dat niet moeilijk geweest, want ze waren niet getrouwd en het huis stond op zijn naam. In emotioneel opzicht was het ook voor hem een aangrijpende beslissing die hij lang, te lang, uitgesteld had.

Later vertelde hij me dat hij vooral niet langer bestand was geweest tegen de permanente onrust die ze veroorzaakte. Er moest altijd iets gebeuren. Stilte was voor haar onraad. Altijd was het weer: waar gaan we heen? En: wie vragen we?

Na Tania had hij zich nooit meer aan iemand gebonden. Hij wilde alleen nog maar: vrijheid.

„Gisteren kwam ik haar opeens tegen”, zei hij. „Ik zocht in De Jaren naar een vrij tafeltje toen ik haar zag zitten met een man en een kindje in een kinderwagen. Naast elkaar aan de leestafel, de enige plek die nog vrij was. We keken elkaar, whám, recht in de ogen. Ik had haar na de scheiding nog een paar keer gezien om wat dingen te regelen, daarna nooit meer. Ze stond half op, gaf me een hand en stelde me aan die man voor. Toen wees ze op haar kind, de naam drong niet tot me door, zó verrast was ik. Ik wist niet eens dat ze een relatie had, laat staan dat ze moeder was geworden! Het was een oude wens van haar, dat wel, maar ik heb nooit kinderen gewild.”

„Hebben jullie lang gepraat?” vroeg ik.

„Nee, het bleef zo’n soort beleefdheidsgesprekje. Vreselijk, als je elkaar zo goed hebt gekend. Nooit meer zul je met elkaar gevoelens delen, alleen maar nietszeggende algemeenheden. En altijd met een vreemde erbij die je bijna hoort denken: wanneer loopt die lul door.”

„Voelde je je rot, na afloop?”

„Ik was van slag, heb er de hele dag mee rondgelopen. Toch voelde ik geen spijt dat het zo gelopen was, integendeel. Het is een goede beslissing geweest, hoeveel ik ook van haar gehouden heb.”

De serveerster kwam langs en we bestelden nog een kop koffie, hoewel een stevige borrel hem misschien beter had geholpen. Het gesprek had opnieuw veel losgewoeld. Toch verscheen er nog een lachje om zijn lippen. „Kort voor we afscheid namen, noemde ze nog even de naam van het kind. En toen verstond ik het wél: Sam.”

Ik keek hem verbouwereerd aan. „Echt waar?”

Hij knikte, een mengeling van plezier en voldoening op zijn gezicht. Het scheelde maar één letter met zijn naam.