Ik wil geen diva zijn

De burn-out van violiste Janine Jansen was vorig jaar groot nieuws, mede door de documentaire Janine. Inmiddels speelt ze weer. Met mate, dat wel.

D e kantoren van platenmaatschappij Universal Music liggen verstopt in de Baarnse bossen. Uitbundige herfstzon alom. Janine Jansen kijkt er verlangend naar. „Zullen we dáár verder praten?”

Ze oogt ontspannen. Jansen (33) heeft een tijd lang niet gespeeld. Sinds een jaar is ze weer actief, maar op andere voorwaarden. Ze geeft minder concerten. Stroomlijnt haar repertoire wat meer. En ruimt bewust meer tijd in voor zichzelf, voor het studeren van werken die ze nog niet kent en het „uit elkaar pluizen” van stukken die ze al vele malen speelde.

Haar burn-out in 2010 was landelijk nieuws, mede doordat de succesvolle documentaire Janine van Paul Cohen zich laat bekijken als ongewilde vooraankondiging. Zoveel druk, zoveel reizen, zoveel concerten en verkrampte glimlachjes – dat houdt geen mens vol.

„Toch heb ik het mezelf erg kwalijk genomen dat ik het niet eerder voelde aankomen”, zegt ze. „Ik, een burn-out? Ik dacht dat ik de laatste zou zijn. Ik houd zo van mijn werk, van dit leven. En wat erbij hoort, hoort erbij. Maar honderdtwintig concerten per jaar was echt te veel. Het repeteren en het reizen – dat komt er allemaal nog bij. Anderzijds wilde ik het zelf. Thuis zijn vond ik vaak al snel deprimerend en confronterend. Dat lege huis, was dat dan mijn leven? Ik verlangde er meestal heel snel naar weer op reis te gaan. In de muziek voel ik me goed en weet ik tenminste dat ik iets doe wat ertoe doet. Spelen heeft me ook altijd energie teruggegeven.”

Je grenzen kennen en afbakenen is nou eenmaal ontzettend lastig, vindt ze. „En zéker voor mij, omdat ik nu eenmaal iemand ben die van nature graag aardig gevonden wil worden. Als iemand over me zegt: ‘Janine? Die is zo lekker gewoon gebleven!’, ben ik blij. Ik wil geen diva zijn. Maar is dat goed? Er zit ook iets in van een pleaser. En daar moet je mee oppassen. Nog even een sponsor begroeten na het concert? Dat kunnen we háár wel vragen, hoor.”

Ze kijkt verontschuldigend. Nee zeggen – het blijft lastig. „Maar het is makkelijker nu ik weet wát ik afscherm.” Deze maand verhuist ze met haar vriend, cellist/dirigent Daniel Blendulf, naar een grachtenappartement in Utrecht. „Thuis zijn is nu weer iets waar ik me op verheug. Samen koken. Lekker pianospelen, puur voor de lol. Een leven naast de viool. Daar kies ik nu óók voor.”

Nieuw repertoire

Volgende week speelt Jansen een recital in het Amsterdamse Concertgebouw met Itamar Golan (piano) en Torleif Thedéen (cello); het zijn haar vaste, vertrouwde kamermuziekpartners. Wat op het programma staat, speelde ze elders ook al. „Ik probeer me te beperken tot een of twee recitalprogramma’s per seizoen, en tot zes verschillende soloconcerten per jaar. Maar dat laat voldoende ruimte voor nieuw repertoire. Volgend jaar studeer ik het vioolconcert van Szymanowski voor het eerst in en Krystof Penderecki componeert op dit moment voor mij en Julian Rachlin een dubbelconcert, dat we uitvoeren onder leiding van Mariss Jansons. De rust om nieuwe werken in te studeren is nu echt van tevoren ingeruimd. Dat voelt heel prettig.”

In de documentaire Janine komt tussen alle managers en musici ook collega/vriend Julian Rachlin aan het woord. „Janine wil niet hoeven beredeneren waarom ze doet wat ze doet, uit angst dat het anders misschien niet meer gaat”, zegt hij. Die uitspraak raakt de kern van haar spel, de spontaniteit die haar artistiek typeert.

Zelf voert ze die mede terug op haar oud-leraar, violist Philipp Hirshhorn (1946-1996). Als solist bereikte Hirshhorn niet de sterrenstatus die velen voorspelden nadat hij in 1967 het Elisabeth Concours had gewonnen. De intensiteit waarmee oud-leerlingen en collega’s over hem praten, compenseert dat. „Ik wou dat ik kon zeggen wat Hirshhorns invloed nou precies zo groot heeft gemaakt”, zegt Jansen. „Misschien, als ik ouder was geweest…” Maar ze was zestien toen ze bij hem op les kwam, midden in „de fase waarin opeens alles verandert”.

„Mijn eerste lerares Coosje Wijzenbeek was een soort warme moeder. Hirshhorn was het tegenovergestelde: intrigerend, onbereikbaar en moeilijk, als mens en als musicus even charismatisch als buiig. Ik bewonderde hem enorm. De ene keer verliep de les gemakkelijk en prettig, de volgende keer stroef. Gewoon goed studeren was niet meer genoeg voor een gevoel van veiligheid. Dat maakte dat ik een heel andersoortige druk en uitdaging ervoer. Ik wilde ontzettend mijn best doen, maar wist niet hoe. Dat Hirshhorn zelf als student zeer hard was aangepakt (zie de documentaire De Winnaars van Paul Cohen uit 1996) maakte dat hij voor mij juist heel vrij was. Hij wilde me niet blokkeren. ‘Verlies je spontaniteit niet, volg je eigen pad!’ Dat was een belangrijke les.”

Het is óók een les waar ze nog steeds niet klaar mee is. „Tijdens mijn werkpauze werkte ik natuurlijk wel toe naar mijn eerste concert erná, met Brahms’ Vioolconcert. Dat stuk speel ik al vijftien jaar: ik weet wat ik doe, ik ken die muziek. Maar nu had ik de tijd om dat stuk helemaal uit elkaar te trekken. En dat helpt dan toch. Uiteindelijk moet je als solist behalve ruimte voor spontaniteit, óók ruimte scheppen voor verdieping. Het omgekeerde kun je je niet veroorloven, maar dat is wél wat dreigt onder een te hoge werkdruk. Tijd nemen om een stuk te analyseren is als lopen door een gebouw met het ontwerp van de architect in je hand. Natuurlijk verrijkt dat je beeld van hoe dat gebouw in elkaar zit. Het is zó logisch.”

Lievelingsmuziek

Haar laatste cd dateert van ruim een jaar geleden, de eerstvolgende – een kamermuziekalbum – komt komend voorjaar uit. Volgende maand verschijnt wel al een door Jansen samengestelde cd-box, Carte Blanche, met een zeer uiteenlopende selectie van haar lievelingsmuziek – van Bach tot Ella Fitzgerald, grofweg. „Beiden konden onmogelijk ontbreken. Ella Fitzgerald vertegenwoordigt de ongecompliceerde feel good-muziek. Met Bach ben ik in de buik van mijn moeder opgegroeid. Omdat mijn vader organist is, waren onze weekends vroeger altijd vol muziek – met name Bach. Soms zong ik mee in het kerkkoor, of ik speelde met mijn broer mee in het orkestje.” Als ze nu een kerk binnenloopt of ergens een orgel hoort is er meteen weer „dat gevoel van rust”.

„Religieus besef vind ik een lastig begrip, maar de puurheid van Bach is er zeker een uitdrukking van. Bij Bach valt alles van je af. De ruis van alles wat er eigenlijk niet toedoet, maar waardoor je in de dagelijkse hectiek toch wordt opgeëist. Bach is alles.”

Tijdens haar paar maanden gedwongen rust luisterde ze ook veel naar muziek. Ze kijkt verstoord. „Natuurlijk deed ik dat! Muziek is toch mijn passie. Het was allemaal heel dubbel eigenlijk: door mijn liefde voor de muziek ging ik te ver door, maar diezelfde liefde voor muziek hielp me er ook weer bovenop.” En stilte. Natuur. Met een blik naar buiten: „Ik kan ontzettend genieten van zomaar een wandeling door het bos, de ruimte om en in je hoofd om zomaar wat na te denken.”

Over wat? Ze lacht. „Nou, over perfectie bijvoorbeeld. Bijna niets is perfect. Behalve Bach, en de natuur zelf dus. Kijk eens naar de film Life van David Attenborough! Alles klopt, de kleinste details. Verbazingwekkend en ontroerend vind ik dat. Ik geniet ervan dat het mijn eigen belang en bestaan relativeert. Als ik ga wandelen in de Zwitserse bergen ervaar ik dat nog veel sterker. Whaaa! Alsof je opeens weer adem kan halen.”

Recital Janine Jansen, 26/10 Concertgebouw Amsterdam, info: www.janinejansen.com en, voor haar eigen festival eind december, www.kamermuziekfestival.nl; Janine Jansens cd-verzameling Carte Blanche is exclusief te bestellen bij de webwinkel van de krant à 34,95 euro. www.nrclux.nl