'Het Tropenmuseum wordt gediscrimineerd'

Ten opzichte van andere musea wordt het Tropenmuseum ‘gediscrimineerd’, zegt directeur Lejo Schenk. Waar rijksmusea nog ontzien werden bij de bezuinigingen, stopt Buitenlandse Zaken de subsidie van 20 miljoen euro voor zijn museum volledig.

Heeft Lejo Schenk, directeur van het Tropenmuseum in Amsterdam, het gevoel dat staatssecretaris Ben Knapen (Ontwikkelingssamenwerking, CDA) hem een poets heeft gebakken? „Ja. We waren betrekkelijk verbijsterd toen vorige week de brief kwam dat Knapen het Tropenmuseum, het Tropentheater en de bibliotheek van ons Koninklijk Instituut voor de Tropen niet meer uit het budget voor ontwikkelingssamenwerking wilde subsidiëren.”

Waarom?

„We waren al een tijdje met het ministerie in gesprek over verandering in de subsidieregelingen, en daarbij is van de kant van het KIT betoogd dat juist de drie culturele poten van het KIT niet zonder basisfinanciering konden. In zijn brief draait de staatssecretaris dat om: hij wil juist de culturele poten niet meer financieren, en alleen nog twee andere in overweging nemen: ‘Development, policy and research’, dat zich met consultancy bezighoudt, en ‘Biomedical research’, dat onderzoek doet naar tropische ziekten.”

Klinkt niet geheel onlogisch: waarom zouden een museum, een theater en een bibliotheek door Ontwikkelingssamenwerking gefinancierd moeten worden?

„Het KIT ontleent zijn meerwaarde juist aan de synergie van de diverse disciplines. Ons museum is een heel speciaal museum. Net als het theater heeft het eigenlijk een dubbele praktijk. Wij willen natuurlijk een goed museum zijn, maar we willen onze kennis ook delen met cultuurprofessionals en instituten in de oorsprongslanden van onze collectie. In die zin zijn we juist sterk verbonden met het Nederlandse buitenlandbeleid.”

Onze krant beschreef uw museum onlangs als ‘hybride’: u wekt de indruk van een volkenkundig museum, u toont de geschiedenis van de Nederlandse koloniale expansie, en dan loop je als bezoeker opeens tegen contemporaine kunst uit ontwikkelingslanden op.

„Die kunst verzamelen we ook zelf, we hebben een conservator voor hedendaagse kunst. Het hybride karakter van het museum is bewust en is het gevolg van onze geschiedenis. Begin vorige eeuw is het museum een gezamenlijk initiatief geweest van de Nederlandse overheid en het Nederlandse bedrijfsleven. Het koloniale bedrijfsleven, de voorlopers van Shell en Unilever, wilden een museum waar het vaderland kennis zou kunnen nemen van de voortbrengselen van de Oost en de West.

„Oorspronkelijk waren er ook twee collecties: een volkenkundig museum, en een handels- en productenmuseum. Op den duur zijn die in elkaar geschoven. Vanaf het begin is het instituut dus meer geweest dan een museum, een instelling die ook aan onderwijs en onderzoek deed. Natuurlijk representeren we nog altijd die koloniale geschiedenis, maar na de onafhankelijkheid van Indonesië is heel snel de switch gemaakt naar de nieuwe rol van Nederland in de wereld: van koloniale handelsmogendheid naar een land dat een grote rol wilde spelen bij ontwikkelingsprocessen in de wereld. In dat kader werd het museum ook een podium voor kunstnijverheid uit andere landen dan de oude koloniën, zoals Afrika en Latijns-Amerika.”

En wat doet contemporaine kunst daarin?

„Kijk, we zullen nooit een topstukkenmuseum voor volkenkunde worden, zoals Musée du Quai Branly in Parijs. Wij kijken steeds naar de maatschappelijke context. Een van de problemen van de mondialisering is, in museologische zin, dat niet meer zo makkelijk te zeggen is waarin nu precies het specifieke ligt van de materiële cultuur die we in het museum een podium willen geven. De McDonaldisering leidt tot een versnelde eenvormigheid van de materiële uitdrukkingsvormen. Al vlug leefde hier het besef dat juist in de populaire cultuur – hoe mensen met voorwerpen hun leven inrichten – de voortgang in het denken en de ontwikkeling van die samenlevingen kon worden getoond. En nog weer later kwam de gedachte op dat eigentijdse kunstenaars degenen zijn die het beste dat verhaal vertellen. Populaire cultuur en eigentijdse kunst sluiten dus naadloos aan bij het verhaal dat het museum wil vertellen.”

Schenk meent dat het KIT door de staatssecretaris „niet goed behandeld” is. „Om te beginnen willen we van de staatssecretaris weten of het zomaar kan dat een instelling als de onze per 1 januari 2013 voor meer dan de helft ontmanteld wordt – want daar zou het op kunnen lijken. Natuurlijk vallen er in het culturele veld overal klappen, maar anders dan bij veel andere instellingen wordt met ons niet gesproken over veranderingen. Ons wordt gezegd dat we over veertien maanden dood zijn. Dat zit ons erg dwars.”

Waarom wordt u niet gewoon een volkenkundig museum, met uw geweldige collectie? Wat is er mis met de formule van Quai Branly, dat een groot succes is?

„Dan zou het Tropenmuseum gewoon een historisch museum worden, met een afgesloten collectie, daterend uit de koloniale periode. Maar je tast het museum aan als je het los zou snijden van de permanente ervaringen die onze mensen nu opdoen met collega’s en instellingen in andere landen. Natuurlijk zou ik best wel zo’n topcollectie willen hebben, en zo’n prachtig gebouw als Quai Branly heeft. Maar als mensen uit Latijns-Amerika of Afrika daar gaan kijken, denken ze wel vaak: waar is hier onze eigen geschiedenis? En waar de kritische reflectie op het Franse koloniaal verleden? Die reflectie tref je in het Tropenmuseum wel aan, en daarmee blijft het levend: wij zetten het verhaal voort, en geven de mensen daarmee houvast.”

Hoe nu verder?

„Wij zetten het gesprek met Buitenlandse Zaken voort. We moeten de overheid wijzen op de verplichting het Tropenmuseum niet te discrimineren ten opzichte van andere musea. En als dat geen probleem van BZ en Knapen is, dan moet het een probleem van het hele kabinet zijn. Het zou natuurlijk heel goed mogelijk zijn om de aan ons bestede gelden te verleggen naar een ander ministerie, maar dat moeten ze in Den Haag uitzoeken.”

In ieder geval willen ze bij het KIT dat het ‘multidisciplinaire’ karakter van het KIT gerespecteerd wordt, zegt Schenk, en de band tussen museum, theater, bibliotheek enerzijds, en de consultancy op het gebied van ontwikkelingssamenwerking en onderzoek naar tropische ziekten anderzijds dus niet wordt doorgesneden. „De gedachte is dat het KIT als een samenhangend kennisinstituut in stand moet blijven. Dat is wat ons specifiek maakt. Dat was op een andere manier in 1910 al zo, en het geldt nog steeds.”

Info over exposities, rondleidingen en bezuiniging: www.tropenmuseum.nl