Het einde van een slavenhaler

Een kwart van de slaven die in Afrika inscheepten overleefde de overtocht niet. Leo Balai ontrafelde de historie van slavenschip Leusden. Morgen promoveert hij hierop.

Op 1 januari 1738 verging voor de kust van Suriname, aan de monding van de Marowijne, het Nederlandse slavenschip ‘Leusden’. De officieren en bemanningsleden wisten zich te redden in twee sloepen, maar de 680 Afrikaanse slaven in het ruim verdronken jammerlijk. Toen de branding tegen het gestrande schip begon te beuken, waren de gevangenen aan dek. Op last van de gezagvoerder werden zij het slavenruim ingedreven en werden de luiken gesloten. De ondergang van de Leusden was de grootste scheepsramp uit de geschiedenis van de Nederlandse slavenhandel.

De Amsterdammer Leo Balai (Paramaribo, 1946) was landbouwkundig medewerker op een suikerplantage en douanebeambte in Suriname en, na een studie bestuurswetenschappen, onder meer gemeenteraadslid in Amsterdam. „Ik stuitte voor het eerst op de Leusden”, vertelt hij, „toen ik het standaardwerk The Dutch in the Atlantic Slave Trade – 1600-1815 (1990) van Johannes Postma las. Hij schreef: ‘Het was zonder meer een menselijke tragedie, maar voor de bewindhebbers van de West-Indische Compagnie (WIC) was het vooral een economische tegenvaller.’ Toen was voor mij de jacht op de Leusden geopend.”

Die lange speurtocht wordt morgenochtend afgesloten. Dan promoveert Balai aan de Universiteit van Amsterdam op zijn dissertatie Het slavenschip Leusden.

De WIC werd opgericht in 1621, toen het Twaalfjarig Bestand ten einde liep en de vijandelijkheden tussen Spanje en de Republiek werden heropend. De compagnie wilde een rol spelen in de bloeiende handel in het Atlantische gebied en de vijand de voet dwars zetten. Spanje was destijds verenigd met Portugal in een personele unie en Brazilië met zijn vele suikerplantages was onderdeel van het imperium. In 1630 veroverde de WIC een deel van Pernambuco, de oostelijkste punt van Brazilië. De compagnie volgde het voorbeeld van de Portugezen en liet de veroverde plantages bewerken door slaven, die ze zelf inkocht aan de West-Afrikaanse Goudkust (nu Ghana). Daar had de WIC een fort veroverd op de Portugezen, Sao Jorge da Mina (Elmina), dat dienst ging doen als WIC-factorij.

„In de loop van de zeventiende eeuw,” vertelt Balai, „fungeerde de WIC als onderaannemer van de grote handelaren die de Spaanse en Portugese bezittingen in de Nieuwe Wereld van slaven voorzagen. Maar in 1713 werd het lucratieve slavencontract (asiento) gegund aan aartsrivaal Engeland. Daarmee was een groot deel van de markt gesloten voor Nederlandse slavenhalers.” De WIC richtte zich toen vooral op de Nederlandse bezittingen in de West. Het eiland Sint Eustatius was enige tijd een depot van waar de WIC de omringende eilanden van slaven voorzag. Toen de Engelsen met hun sterke vloot dit onmogelijk maakten, concentreerde de WIC zich op Suriname en Berbice, het huidige Guyana.

De Leusden, gebouwd in 1718 (zie kader), was een van de laatste slavenschepen van de WIC. Balai ontdekte dat dit fregatschip speciaal was gebouwd om als slavenhaler te dienen. Dat vereiste bijzondere specificaties. Balai: „Als de schepen in Afrika aankwamen, werden de handelsgoederen verkocht en werd de opslagruimte omgebouwd tot slavenruim, het zogenoemde koedek. Het ruim werd met planken horizontaal in tweeën gedeeld om de capaciteit voor slaven te verdubbelen. Daardoor hadden de gevangen een zithoogte van 80 cm. Uit de facturen blijkt dat er altijd grenen planken werden meegenomen om die tussenvloer te leggen. In de constructie van het schip werden voorzieningen getroffen om de ombouw van het schip in Afrika makkelijker te maken.”

De Leusden maakte vanaf de eerste reis in 1719 tot zijn ondergang in 1738 tien slaventochten. Tijdens die reizen, die Balai tot in bijzonderheden reconstrueert, werden 6.564 slaven ingescheept, van wie er 1.639 de overtocht niet overleefden. Dat is een kwart van de ingescheepte gevangenen.

In die periode daalden de inkomsten van de WIC uit de slavenhandel gestaag. De compagnie kon de concurrentie met Engelsen en Fransen op den duur niet meer aan. Balai: „Haar zwakte waren inferieure producten. De geweren die ze leverde, dat was echt een ramp. En ze wilde op een gegeven moment niet meer dan 140 gulden voor een slaaf betalen, terwijl Engelsen en Fransen 200 gulden betaalden. Dan leg je het natuurlijk af.”