Gertrude: één denkoog en één dwaaloog

This undated picture provided by the Metropolitan Museum of Art shows Pablo Picasso's 1905?06 oil painting "Gertrude Stein," which will be included in the museum's upcoming exhibit opening on April 27. For the first time in its history, the Metropolitan is putting all of the artist's paintings, drawings, sculptures and ceramics on display. (AP Photo/ Metropolitan Museum of Art) NO SALES ASSOCIATED PRESS

Van Gertrude Stein moest ik nooit veel hebben. ‘Rose is a rose is a rose’, haar beroemde citaat, sloot me buiten. Ik begreep het niet (ik begrijp het nog altijd niet). Ik ging haar toch lezen, ik vond dat ik haar code moest kraken. Ik probeerde Tender Buttons: ,,Out of kindness comes redness and out of rudeness comes rapid same question…’’ Laat maar zitten, dat gepruttel. Natuurlijk druppelde binnen dat ze in Parijs geliefd was als literair leidsvrouw voor F. Scott Fitzgerald, Ernest Hemingway en meer goeie schrijvers. Ook het portret dat Picasso van haar schilderde ontging me niet: een vrouw met één denkoog en één dwaaloog. Toch, zodra ze ter sprake kwam, sloot ik de luiken.

En toen zag ik haar in Woody Allens film Midnight in Paris. Kathy Bates speelt haar niet als een zelfvoldane artistieke matrone maar stoer en smaakvol, en zonder weet van flauwekul. Klopt vast niet, maar dankzij Allens film wilde ik, toevallig ook in Parijs, naar de tentoonstelling over Stein en haar broers. (Broers! Ik dacht altijd dat ze alleen die vriendin had met die dominatrix-naam: Alice B. Toklas).

Matisse, Cézanne, Picasso... L’aventure des Stein heet de expositie. De schrijvers spelen geen rol. In het Grand Palais gaat het over de schilders die werden ontdekt, gekocht en gesteund door Michael en Leo Stein en hun zusje Gertrude. Ze streken in 1904 uit de VS in Parijs neer. Prototypen van de exotische soort die ‘An American in Paris’ heet: verliefd op Europa, waar ze aliens blijven. Voornaamste kenmerken: een frisse blik, stomme verbazing, moralisme en pathos. Zo apart is de Amerikaan in Parijs dat er allerlei schilderijen aan hem zijn gewijd, en een musical met Gene Kelly, plus de song Fifty Million Frenchmen can’t be wrong (1927). Daarin verbaast zangeres Sophie Tucker zich namens haar landgenoten over de Parijse losse zeden annex levenskunst: „In Vive la France/ They’re full of romance/ You’ll find policemen with embroidery on their pants…”

De vele tientallen schilderijen die de Steins kochten, soms weer verkochten en waarmee ze de wanden van hun Parijse huizen van boven tot onder bedekten zijn hier weer samengebracht. Het is een adembenemende verzameling. Deze autonome Amerikanen ontdekten op eigen houtje als eersten de moderne schilderkunst. De Steins hadden een instinct voor kwaliteit. Ze kochten werk van grootheden vóór iemand doorhad hoe groot die waren. Ze waren direct bewonderaars van Picasso. Leo schreef enthousiast over deze „jonge Spanjaard genaamd Picasso die ik beschouw als een genie van aanzienlijke portée en de meest aanzienlijke tekenaar van deze tijd…”

En toen begon Picasso kubistisch te schilderen. Gertrude omarmde het. Zij wist dat een kunstenaar verwelkt bij stilstand, dat die verder moet, zijn neus achterna, of zijn hart, of zijn pik, wat dan ook, hij moet zelf kiezen. Leo Stein reageerde als een bedrogen minnaar. Picasso moest ophouden met dat kubisme, want dat vond hij niks. Hij moest kunst maken zoals Leo die beschreven had in zijn essays, opmaat tot zijn ‘philosophy of art’.

Toen Picasso het kubisme doorzette, deed Leo diens werk van de hand. En wat kocht hij van de opbrengst? Een aantal zoete meisjesportretten van Renoir, alsof hij Picasso pestte. Hij zette een stap terug, vooruit paste niet in zijn straatje.

Er zijn meer kunstbazen als Leo Stein. Ik denk aan wijlen Huub Bals. Belangrijk man, hij richtte Film International op, het feest van de onafhankelijke cinema dat nu International Film Festival Rotterdam heet. Net als Leo hield Bals hartstochtelijk van kunst, film in zijn geval. Hij buffelde als een zendeling, zijn keuze gold wereldwijd als keurmerk.

En toen werd zijn eigen gewichtigheid Bals te zwaar. Het begon ermee dat hij telkens de cinema doodverklaarde, terwijl hij toch prachtige festivals organiseerde. Het eindigde ermee dat hij talenten, als de filmer Jim Jarmusch, die hij zelf omhoog had gestoten, liet vallen zodra ze hun eerste films ontgroeiden en nieuwe wegen insloegen.

Kunstpotentaten denken dat ze van ‘hun’ kunst houden. Maar ze houden van zichzelf. Ze adoreren vooral hun eigen theorieën, die toch echt groeiden met dank aan de kunst van iemand die hun knecht niet is, maar hun meester.

Gertrude Stein was geen potentaat. Ik houd nu van Gertrude.

Joyce Roodnat