De wereldburger

‘Er moet een verhaal komen dat de kleinburger en de wereldburger bij elkaar brengt.” Zo citeerde ik twee weken geleden Paul Scheffer, lid van (maar niet altijd stemmer op) de PvdA. De kleinburger is de populist, die verloren is voor de partij. Het tegendeel van de bedachtzame Job Cohen. Maar wat is de wereldburger?

Toevallig wijdt het tijdschrift De negentiende eeuw zijn jongste aflevering aan het thema ‘Wereldburgerschap’. „Het vaderland van de wereldburger”, zo schrijft mevrouw Koolhaas-Grosfeld in de inleiding, „bestaat uit de gemeenschap van de Republiek der Letteren, het supranationaal netwerk van intellectuelen.” Nu, dat staat nogal ver van Wilders en zijn aanhang.

De wereldburger is een product van de achttiende-eeuwse Verlichting. De Duitse dichter Wieland en de Geneefse filosoof Rousseau zijn zijn peetvaders. De Franse Revolutie veroverde bijna heel Europa onder het motto van de broederschap, wat hetzelfde is als wereldburgerschap.

Als erfgenaam van de Verlichting gaat de wereldburger uit van een geïdealiseerd mensbeeld. Al in de negentiende eeuw kreeg hij het moeilijk met het opkomende nationalisme. Het zou pas na de Tweede Wereldoorlog zijn dat hij weer een kans kreeg, nu in de gedaante van de ‘Europeaan’. Maar ook die is een product van de verbeelding. De Europese solidariteit heeft het hard te verduren wanneer het om steun aan zondaars als Griekenland gaat. Vooral in tijden van crisis is voor velen het hemd nader dan de rok.

Terecht zei Paul Scheffer dan ook bij zijn afscheid als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam: „...als de ‘mensheid’ tegenover ‘het volk’ komt te staan, dan is het wel duidelijk waarheen zich de meerderheid zal bewegen.” Dit is, volgens hem, „misschien wel de vraag van onze tijd.”

Denk niet dat alleen het nationalisme (dat er natuurlijk ook is) de oorzaak is van het laagtij waarin het Europese gevoel zich bevindt. Evenmin de verzorgingsstaat, die gemaakt heeft dat de burgers meer belang hebben bij het behoud van hun nationale staat dan in de tijden van het onversneden nationalisme (hét dilemma voor de socialisten, die nog altijd de Internationale zingen). Daarnaast is er niemand die het beter onder woorden heeft gebracht dan Mia Doornaert in deze krant van 27 september:

„Hoe vaag het begrip identiteit ook is, het valt niet te ontkennen dat volkeren een specifiek cultureel DNA, een eigen gemeenschappelijk verhaal hebben. Nog voor we beseffen dat we iets leren, krijgen we, van onze prilste kindertijd, als het ware per osmose, een software ingebouwd over hoe mannen en vrouwen, ouders en kinderen met elkaar omgaan, over wat al dan niet behoorlijk gedrag is. Dat gebeurt in grote mate onbewust. Meestal gaat men pas na een eerste buitenlands verblijf beseffen hoezeer men het product is van een specifieke traditie.”

Zo is het mijzelf ook gegaan. Als zoon van een Franse moeder heb ik in mijn kinderjaren – maar ook later – vele vakanties bij mijn Franstalige familie doorgebracht. Ik kijk daar nog met plezier op terug. Het was mijn familie, maar haar gebruiken en haar taal waren niet de mijne (hoewel ik wel Frans sprak). Een kind gaat dan meer op de verschillen dan op de overeenkomsten letten en krijgt de behoefte zichzelf te bewijzen: bij ons doen we dat zo...

Vandaar mijn al vroege besef dat het niet zo makkelijk zal zijn, om met Mia Doornaert te spreken, „alle Europeanen, met hun veelheid aan talen en tradities en historische gevoeligheden, te versmelten tot één Europees volk” of tot een Verenigde Staten van Europa, waartoe Jean Monnet in de jaren 50 een machtige pressiegroep oprichtte.

Ik zal niet gauw stemmen op Doornaerts landgenoot Bart De Wever, voorzitter van de Nieuw-Vlaamse Alliantie (al was het alleen maar omdat ik geen Vlaming ben), maar ik wil hem toch een keer met instemming aanhalen (uit De Standaard van 7 oktober): „De kosmopolitische drang om naties te overstijgen en nationale identiteit plat te branden, bewijst in de praktijk eigenlijk weinig meer dan het onvermogen de realiteit in overeenstemming te brengen met de politieke theorie.”

Dit soort kosmopolitisme verenigt, aldus De Wever, „een abstractie met een utopie”. Zou het streven naar Europese eenheid – hoe voor de hand liggend het ook is op pragmatische gronden – een van de laatste chimères zijn van het tijdperk der Verlichting? Een solidariteit tussen landen – in dit geval de Europese – kan ook slechts bestaan als er een gemeenschappelijk ondervonden gevaar is. Vandaar dat de Atlantische solidariteit het moeilijk heeft sinds het verdwijnen van de Sovjet-Unie. Natuurlijk is de gemeenschappelijke ondergang het objectieve gevaar dat alle Europese landen bedreigt, maar dat wordt niet door alle volken gelijkelijk zo ondervonden.

    • J.L. Heldring