De overheid heroïsch?

In Contagion drijft een dodelijk virus de mensheid in het nauw.

De film is hectisch, maar biedt weinig melodrama en spektakel.

scene uit de film Contagion (2011) FOTO: Warner Bros JENNIFER EHLE as Dr. Ally Hextall in the thriller “CONTAGION,” a Warner Bros. Pictures release.

Een rampenfilm, die had de Amerikaanse regisseur Steve Soderbergh nog niet gemaakt. Contagion gaat over een wereldwijde, dodelijke virusepidemie. Workaholic Soderbergh (28 speelfilms plus wat tv-series in 23 jaar) speelt met genreregels, maar „het is gewoon een Irwin Allen-film”, beweerde hij onlangs. Een verwijzing naar de man die de beste rampenfilms van de jaren zeventig maakte: The Towering Inferno (wolkenkrabber in vlammen) en The Poseidon Adventure (cruiseschip gekapseisd).

Onzin natuurlijk: gewone films maakt Soderbergh nooit. En deze koele registratie van de wereldtournee van een in Hongkong gemuteerd varken-vleermuisvirus (MEV-1) is dat evenmin. Een naar virus is het (gebaseerd op een bestaand virus), dat van een onschuldig griepje in een etmaal escaleert naar toevallen met schuim op de mond. Miljoenen sterven, alles desintegreert. Toch biedt Contagion in alle hectiek weinig spektakel of melodrama, toch standaardingrediënten van de rampenfilm. Neem de nadrukkelijk onspectaculaire wijze waarop Soderbergh besmetting visualiseert. In een eerdere virusfilm, Outbreak (1995), was dat een tour de force. Om kijkers bang te maken volgde de camera in een bioscoop hoe een uitgeproeste wolk snotdruppeltjes de hele zaal besmet. Soderbergh brengt de onzichtbare sluipmoordenaar in beeld door close-ups van zweterige handen die even een bakjes pinda’s in een vliegveldbar beroeren, een stang in een bus of een deurknop op school. Maar ondanks de paranoïde filmslogan – „don’t talk to anyone, don’t touch anyone, stay away from other people” – is dat niet dramatisch.

Contagion houdt kijkers op afstand. De film is te weids en caleidoscopisch om je met iemand te identificeren: het is haast een documentaire van een toekomstige pandemie. Een zo nauwkeurig mogelijke verbeelding van de voorspellingen van virologen: vraag niet of de grote plaag komt, vraag wanneer.

Rampenfilms vallen doorgaans in het optimistische genre van de actie- en avonturenfilm. Daarin nemen een aardbeving, vulkaan of tsunami de mensheid de maat. Overlevingsdrang smeedt uit een groep vreemden of een disfunctionele familie een hecht team en leert lessen over leiderschap, zelfopoffering en samenwerking. Epidemiefilms zijn vaak omgekeerd, die gaan juist over sociale desintegratie. Instituties falen, iedereen staat er alleen voor en de medemens is de vijand. Het is horror met een bijpassend pessimistisch mensbeeld. Beschaving blijkt een flinterdun laagje. Bij een epidemie kun je beter elke solidariteit of medemenselijkheid laten varen. Wie niet inhumaan, asociaal of meedogenloos optreedt, gaat zelf ten onder.

Welverdiend overigens. Een ramp of ziekte is in films meestal een straf voor decadentie, corruptie of (wetenschappelijke) hoogmoed. De ellende begint vaak tijdens een feest: van The Towering Inferno tot Titanic gaan Sodom en Gomorra ten onder in smoking en avondjurk. Zelfs het wetenschappelijke Contagion ontkomt niet helemaal aan bijbels moralisme. Daar is de boosdoener globalisme: vliegverkeer verspreidt het dodelijke virus MEV-1 binnen een etmaal van een casino in Kowloon over Japan, Amerika en Europa, het internet verspreidt daarna al even snel paniek, wantrouwen en complottheorieën. Iets specifieker: Beth (Gwyneth Paltrow), de ‘Typhoid Mary’ die het virus naar Amerika brengt, blijkt een zondares die in Hongkong gokt, flirt en zuipt en op doorreis naar haar brave echtgenoot Mitch (Matt Damon) in Minneapolis nog even een minnaar in Chicago besmet. Ook zonder haar wangedrag zou het virus zich verspreiden; toch voelt het minder erg dat Beth – en haar zoontje – zo snel met opengezaagde schedel op de sectietafel ligt.

Mitch, de doorsneeman met wie we ons verder moeten identificeren, houdt zich aan de regels van de ‘social distancing’ om samen met zijn dochter het virus te overleven. Deuren en ramen dicht, handschoenen en mondkapje op, elk contact vermijden, zieken aan hun lot overlaten. Zijn dochter mag zelfs niet met haar vriendje knuffelen. Maar hoe kan de mensheid zo overleven? Het is hier dat Contagion zich echt onderscheidt van zo’n beetje alles wat Hollywood de afgelopen dertig jaar produceerde. Er blijkt namelijk toch iets te zijn met de organisatie, hulpbronnen en mentaliteit om de wereld van dit horrorscenario te redden: de overheid. In die zin maakt Soderbergh wel degelijk een ouderwetse rampenfilm. Rampenfilms uit de vroege jaren zeventig waren de laatste films die vertrouwden op ambtenaren, professionals en gezagdragers van middelbare leeftijd: daarom werden die films ook zo snel als ouderwets ervaren. Want nadien was de overheid steevast boosdoener, obstakel of irrelevant en brachten eenlingen die tegen de stroom oproeien altijd redding.

Maar in Contagion houden hardwerkende, idealistische ambtenaren de zaak bijeen terwijl een blogger die tegen de stroom oproeit grote ellende veroorzaakt. Terwijl Soderberghs vriend George Clooney in The Ides of March het wijdverbreide cynisme over bestuur en politiek maar weer eens bevestigt, steekt Contagion de loftrompet over de ambtenaar. Heel verfrissend eigenlijk: als straks de zombies in je achtertuin staan, hoop je toch dat het alarmnummer werkt.