De onleesbare flauwekul is geschiedenis geworden

Geschiedenis, die kan je vangen in lessen en litanieën. Historisch Nieuwsblad belooft het leesbaar op te dissen, maar is soms wat lang. Maarten! brengt het kruidiger.

Om de festiviteiten rondom de Maand van de Geschiedenis enige luister bij te zetten, bespreken we vandaag hét geschiedenismagazine van Nederland: Historisch Nieuwsblad. Het viert dit jaar zijn twintigjarig jubileum en daarom verscheen het boek Niet gehinderd door schroomvalligheid. De auteur, Rob Hartmans, vertelt in dit nummer dat Historisch Nieuwsblad een toegankelijke tegenhanger moest worden van bladen als Bijdragen en Mededelingen betreffende de Geschiedenis der Nederlanden, die „heel geschikt waren als je slaapproblemen had”. Die bladen stonden vol met onleesbare en pretentieuze flauwekul, vonden de oprichters van Historisch Nieuwsblad. Tijd voor iets nieuws.

Historisch Nieuwsblad van nu is niet onleesbaar of pretentieus, maar wel pittig. Het ziet er mooi uit, dat zeker, maar het voelt als lesstof, zoals het intro bij een stuk over religieuze strijd: „In de zevende en achtste eeuw trokken christelijke missionarissen door onze nog heidense streken. Met de zegen van pauselijk Rome, maar beschermd en ondersteund door het Frankische vorstenhuis. De kerstening van het tegenwoordige Nederland was een politieke zaak.” Je moet er wel echt zin in hebben.

Een artikel over het algemeen kiesrecht zit vol curieuze weetjes: „Eind 1893 nam het congres van de Sociaal-Democratische Bond dan ook de beruchte motie-Hoogezand-Sappemeer aan, die inhield dat de bond in de toekomst nimmer meer aan verkiezingen diende deel te nemen.” Maar dat zeven pagina’s is wel veel.

Iets minder feitendrang is te vinden in de columns van sociologe Jolande Withuis en historicus Maarten van Rossem, die schrijft over „Tien jaar na 9/11”. (Het is oktober, tien jaar en een maand na 9/11.)

Meer Maarten van Rossem is te vinden in egotijdschrift Maarten!, dat uit dezelfde fabriek als Historisch Nieuwsblad komt: zelfde redactie, grotendeels dezelfde auteurs en zelfde uitgever (Veen Magazines). Bij het eerste nummer, dat eind 2009 verscheen, stond het nog fier op de omslag: „van de makers van Historisch Nieuwsblad”. Toen werd Maarten! omschreven als een „serieus, opiniërend tijdschrift”, met „diepgravende artikelen” en „erudiete rubrieken – op tijd verluchtigd door de ironie en het relativeringsvermogen van de naamgever”.

Gouden formule, kun je zeggen. Vraag wat grote namen stukken te schrijven (Paul Schnabel, Jan Tromp, Max Westerman, Ronald Havenaar) en wat minder grote namen (broer Vincent van Rossem, zus Sis van Rossem) en kies een serieus thema met historische lading (deze Maarten! gaat grotendeels over inburgeren). Nodig iemand (de Nationale Ombudsman) uit die zich in de keuken van Maarten van Rossem wil laten interviewen door Maarten van Rossem en het blad van Maarten van Rossem zit weer vol – én zit goed in elkaar.

Het is wel een overdosis Maarten van Rossem. Hij staat elk nummer met zijn bakkes op de cover, en we tellen zijn gezicht nog veertien keer ín het blad. Maar het leest prettig, gáát ergens over en is niet schoolboekerig zoals Historisch Nieuwsblad.

Maarten!, dat zes keer per jaar verschijnt, heeft meer lezers dan moeder Historisch Nieuwsblad (tien keer), en had vorig jaar een betaalde oplage van 22.600. Die van het Historisch Nieuwsblad bedroeg 20.300 stuks, bijna 20 procent hoger dan in 2008.

Als je Maarten! doorbladert, is het soms net of je Maarten van Rossem hoort praten. „Veel inburgeraars weten het stompzinnige examen te halen” – stompzinnig, een typisch Maarten van Rossem-woord. En ook een citaat van Ombudsman Alex Brenninkmeijer zou van Maarten van Rossem kunnen zijn: „Als je de Denen vraagt wat ze van de overheid vinden, antwoorden zij: het kost misschien veel, maar je krijgt er ook veel voor terug. [...] In Nederland daarentegen is er een behoorlijke negativiteit. Is daar, als je een beetje afstand neemt, nou wel reden voor?”

Maarten van Rossem heeft zijn mopperrubriek geschrapt, schrijft hij. Niet omdat er niets meer te mopperen valt, maar „voor je het weet, wordt het irritant”. Hij heeft ook geen rubriek nodig om te klagen. Stop het in een fotoreportage met de kop „Het openbaar vervoer in Nederland is een puinzooi” en klaar ben je.