'Brus': beste woord voor 'broer en zus'

Ingmar Vriesema, auteur van Het Beroemde Broer en Zus Boek, deed een oproep om tot een Nederlands woord voor ‘Geschwister’ te komen.

Ziehier het resultaat.

Iemand een idee voor een Nederlands broerzuswoord, een equivalent voor het Duitse Geschwister, het Engele sibling en het Zweedse syskon? Dat vroeg ik tweeënhalve week geleden op deze pagina. Ruim tweehonderd suggesties zijn binnengekomen.

Vooral samenstellingen van ‘broer’ en ‘zus’ zijn populair. Gebroezum, brus, brozus, brussies, zoers, bris, brusling. Of broester: „Dat bekt lekker, en je krijgt trek in oesters”, zoals iemand het snedig verwoordt.

Bij gebrek aan een officieel woord doen zelfbedachte samenstellingen in sommige Nederlandse gezinnen al jaren de ronde, zo blijkt. „Ik bezig al geruime tijd het woord ‘broester’ als ik een mailtje stuur naar alle broers en zusjes tegelijk”, schrijft Anna Leget. Kees de Wit uit Eindhoven zegt zes ‘zoesters’ te hebben: twee broers en vier zussen. En Siemon Tuinstra heeft weliswaar een broer en vier zussen, maar voor hem zijn het kortweg ‘brusters’.

Het Engelse sibling is een inspiratiebron voor inzenders. Broers en zussen samengevat als sibbels, sibbelingen, sibbers, sibbelaars, siblanten. „Kunnen we straks kibbelen met onze sibbelingen!” schrijft Emma van Vreeland uit Amsterdam. Marilene Vermeulen uit Rotterdam vindt ‘sibbeling’ eenvoudigweg mooi. „Het klinkt als ouderwets Nederlands, alsof het een vergeten woord is.”

Vele broers en zussen zien zichzelf kennelijk als spreeuwen, spechten of ander gevogelte, want de woorden ‘nest’ en ‘broedsel’ worden in allerlei combinaties aangedragen. Nestverwanten en nestmaten, gebroedsel en – met een knipoog naar de Bijbel – oudergebroed en adergebroed. Het woord ‘nestgenoten’ valt opvallend vaak, liefst zeven inzendingen. „Dit woord benadrukt zoveel meer dan alleen de bloedband”, schrijft Hans Hofstede. „Reuze bij de tijd natuurlijk: halfzus, stiefbroer, pleegzus, bastaard en koekoeksjong, allen dragen dezelfde nestgeur na verloop van tijd. Naadloos te combineren met echtgenoten en huisgenoten.”

Andere inzendingen: naastkomelingen, zijkinders, bloedjes, medekinderen en het klinkende neologisme ‘pamaten’ („van dezelfde pa en ma”, schrijft Piet Janssen, „en daarmee ook een soort van maten”).

Absolute winnaar is de samenstelling ‘brus’, meervoud ‘brussen’. Bijna een op de vijf inzenders noemde die term. Simpel, kraakhelder en – zo blijkt uit een handvol mailtjes – al jaren jargon onder jeugdhulpverleners en pedagogen. ‘Brus’ of ‘brusje’ als synoniem voor het broertje of zusje van een hulpbehoevend kind. Emeritus hoogleraar kinderpsychiatrie Frits Boer noemt ‘brus’ een „ideale term”, behalve dat er de associatie van pedagogiek aan vastkleeft. „Er moet dus iets aan het imago van de term ‘brus’ gebeuren.”

Wie weet lukt dat. De meest recente Dikke van Dale, uit 2005, noemt ‘brus’ nog niet. Maar het woord is wel opgenomen in de elektronische editie, in 2008. Kortom, in de volgende papieren Van Dale (publicatiedatum nog onbekend) staat het woord ‘brus’ hoogstwaarschijnlijk afgedrukt.

Ténzij sibbelaars, zoesters of zijkinderen vandaag aan een onstuitbare opmars beginnen.