Als een lome lichtflits boven het wolkendek

Remco Campert schreef in 1961 de kleine roman Het leven is vurrukkulluk. Jan Donkers (1943) herinnert zich een nieuwe tijd „die pas jaren later echt zou aanbreken”. Arjen Fortuin (1971) leest een verdwenen tijd: België-Nederland 5-3. En zal Monopoly werkelijk Mens-erger-je-niet verdringen?

In 1961 ging ik studeren. Ik schafte me elke lente een nieuwe grijze en elk najaar een nieuwe zwarte pantalon aan bij de firma House of England. Elk jaar een nieuw stropdasje, dun en zwart, want brede stropdassen waren burgerlijk. Ik was gestopt met voetballen en had nog maar één ambitie: zo snel mogelijk redacteur van Propria Cures worden. Ik werd lid van de Pee van de Aa en de studentensociëteit Olofspoort. Eén dispuut wilde mij wel als lid hebben. Ze organiseerden een truienfeest. Ik ging niet. Van Marry-you-Anna had ik nog nooit gehoord. Ik kende niemand die ooit van Marry-you-Anna had gehoord.

De naamsbekendheid van Raymond Queneau was ongeveer eenduizendste van Emile Zatopek, Tsjechisch hardloper. Ik nam een abonnement op de New Statesman, las Engelse boeken, de Angry Young Men: Colin Wilson, Alan Sillitoe, John Braine, Kingsley Amis die helemaal niet zo angry bleek te zijn. Nederlandse boeken las ik steeds minder, Hermans, Vestdijk, ging die rotoorlog dan nooit voorbij? Het leven is vurrukkulluk van Remco Campert zou pas jaren later verschijnen, toen...

Wat? Wat schreef ik daar? Het leven is vurrukkulluk zou pas jaren later verschijnen? Welnee, het boek verscheen in het jaar dat ik beschreef, in 1961, als Literaire Reuzenpocket nummer 24! Het staat er echt, op pagina 4!

Campert kenden mijn vrienden en ik hoofdzakelijk van zijn poëzie, we kenden hele strofen uit ons hoofd al begrepen we er toen, durf ik nu wel te zeggen, niet altijd even veel van. Wie was Jan Roeltan in Praag waar hij die neger uit Mozambique leerde kennen? Voltaire had pokken maar/ genas zichzelf door o.a. te drinken/ 120 liter limonade: dat is poëzie. Wat? De leraar Frans onder wiens juk ik net vandaan was had ons geleerd dat het geen limonade was maar zijn eigen urine die Voltaire dronk, dat was sensationeler, maar iets zei ons dat Campert gelijk had.

‘De glazen piano van papa Tristano’, dat begrepen we weer wel, dat begrepen we helemaal hoor, en het gedicht over Charlie Parker, dat kenden we uit ons hoofd. We slenterden af en toe verlegen over het Leidseplein, gingen ’s nachts naar Art Blakey en het MJQ in het Concertgebouw, maar we waren te jong om Pleiners te zijn, we hoorden er helemaal niet bij. ’t Hemeltje, de Groene Kalebas? Daar durfden we zelfs niet naar binnen.

Voordat ik het boek vorige week herlas, herinnerde ik me nog steeds het eerste hoofdstuk, onvergetelijk dus, die lome wandeling in het Vondelpark, en het slot, het onstuimige feest dat al de hele dag in de lucht hangt. Ik schreef uit mijn hoofd de drie zinnen op die ik me, die hele halve eeuw lang, was blijven herinneren:

‘Ik zag haar teerst.’ (Mees, klopt niet helemaal.)

‘En maar rokkenrollen, en maar rokkenrollen.’ (De grijsaard, klopt een klein beetje.)

‘Ze zeggen dat rijk zijn niets met geld te maken heeft, dat het een soort levenshouding is.’ (Panda, klopt bijna.)

Na herlezing heb ik de chronologie weer wat beter in mijn hoofd en begrijp ik de verwarring over dat jaartal. Want Het leven is vurrukkulluk was zeker een boek dat... laat ik nou niet het geïnflateerde woord ‘bevrijdend’ gebruiken, maar een boek dat na lezing je achterliet met het besef dat er iets aan het rollen was, iets ging gebeuren waarvan vijf jaar later Stephen Stills nog steeds zong dat what it is ain’t exactly clear. De lome middag in het park, het wilde feest met jazz, de kortgerokte meisjes die in Campert-land al jaren voor de opkomst van de minirok bestonden, het waren aanzeggingen, suggesties van een nieuwe tijd die pas jaren later echt zou aanbreken. Want: Holland-België op de radio, Surinamers als exoten, een autootje als luxe, ouders die je verboden te trouwen omdat die jongen ‘geen stand’ heeft, dat was de werkelijkheid waarin Mees en Boelie en Panda op die zonnige dag nog verkeerden. En herlezend kwam ook weer die opwinding, de herinnering aan het vele schateren naar boven, vooral om het ongeremde schrijfplezier dat uit de pagina’s sprak: van doelloze gesprekken naar toneeldialogen met dito aanwijzingen, van fonetische woordgrappen naar plechtstatig geformuleerde onzin, het besef dat dat allemaal kon, ja, dat was zeker bevrijdend.

Het was goed om Het leven is vurrukkulluk te herlezen. Mijn geheugen heeft me niet helemaal bedrogen. Het boek was een lome lichtflits, die een voorzichtige, eerste poging deed door het grauwe wolkendek te breken dat zelfs op die zonnige zomerdag in het park van toen nog over Nederland lag.

Jan Donkers (1943)