Virus mens versus

In ‘Contagion’ drijft een dodelijk virus de mensheid in het nauw. Redding komt uit onverwachte hoek in deze wetenschappelijke ondergangsfantasie – wat de film ouderwets én verfrissend maakt.

scene uit de film Contagion (2011) FOTO: Warner Bros JUDE LAW as Alan Krumwlede in Warner Bros. Pictures' thriller "CONTAGION," a Warner Bros. Pictures release. Photo by Claudette Barius Claudette Barius

en rampenfilm, die had de Amerikaanse regisseur Steve Soderbergh nog niet gemaakt. Contagion gaat over een wereldwijde, dodelijke virusepidemie. Workaholic Soderbergh (28 speelfilms plus wat tv-series in 23 jaar) speelt met genreregels, maar „het is gewoon een Irwin Allen-film”, beweerde hij onlangs. Een verwijzing naar de man die de beste rampenfilms van de jaren zeventig maakte: The Towering Inferno (wolkenkrabber in vlammen) en The Poseidon Adventure (cruiseschip gekapseisd). „Ook wij laten een heleboel filmsterren doodgaan om het publiek bang te maken.”

Onzin natuurlijk: gewone films maakt Soderbergh nooit. En deze koele registratie van de wereldtournee van een in Hongkong gemuteerd varken-vleermuisvirus (MEV-1) is dat evenmin. Een naar virus is het (gebaseerd op een bestaand virus, zie kader) , dat van een onschuldig griepje in een etmaal escaleert naar toevallen met schuim op de mond. Miljoenen sterven, alles desintegreert. Toch biedt Contagion in alle hectiek weinig spektakel of melodrama, toch standaardingrediënten van de rampenfilm. Neem de nadrukkelijk onspectaculaire wijze waarop Soderbergh besmetting visualiseert. In een eerdere virusfilm, Outbreak (1995), was dat een tour de force. Om kijkers bang te maken volgde de camera in een bioscoop hoe een uitgeproeste wolk snotdruppeltjes de hele zaal besmet. Soderbergh brengt de onzichtbare sluipmoordenaar in beeld door close-ups van zweterige handen die even een bakjes pinda’s in een vliegveldbar beroeren, een stang in een bus of een deurknop op school. „Ik wilde voor deurknoppen doen wat Jaws deed voor strandbezoek”, grapt hij. Maar ondanks de paranoïde filmslogan – „don’t talk to anyone, don’t touch anyone, stay away from other people” – is dat niet dramatisch.

Contagion houdt kijkers op afstand. De film is te weids en caleidoscopisch om je met iemand te identificeren: het is haast een documentaire van een toekomstige pandemie. Een zo nauwkeurig mogelijke verbeelding van de voorspellingen van virologen: vraag niet of de grote plaag komt, vraag wanneer. Die angst is na enkele malen vals alarm over vogel- en varkensgriep onder de radar verdwenen, maar wie weet wat er op dit moment in Azië muteert in varkens, honden of vleermuizen. Want het killervirus komt uit Azië, niet uit de Afrikaanse jungle zoals in de door hiv en ebola geïmponeerde jaren negentig.

Waarom zou je zo’n plaag in de bioscoop willen beleven? Omdat het spannend is. Massale verwoesting en sterfte trekken al ruim een eeuw volle zalen, van Italiaans spektakelfilms als The Last Days of Pompeii (1908) via het Amerikaanse bijbelepos naar sciencefiction en rampenfilms. Na eerdere pieken begin jaren zeventig en late jaren negentig zijn ondergangsfantasieën en postapocalyptische films nu weer in trek: het gooi-en-smijtwerk van 2012, waar megatsunami’s een wereldbrand blussen, de sombere ernst van The Road of de wagneriaanse grandeur van Melancholia. Het past bij een westers onderbuikgevoel dat de Untergang des Abendsland voor de deur staat.

Een apocalyps is ook gewoon mooi om naar de kijken. De Franse criticus André Bazin noemde dat ons ‘Nerocomplex’: als de keizer die zong terwijl Rome brandde, gunnen we onszelf in de veilige bioscoopstoel gaarne „een koele, esthetische blik op verwoesting”, zoals Susan Sontag het omschreef in haar essay The Imagination of Disaster (1965). Zo beleven we onze angst voor de dood door natuurgeweld en drijven hem uit.

Maar met een epidemie ligt dat moeilijk. Ziekte en besmetting is de meest universele angst. Een tsunami is exotisch in de Alpen, een lawine in Nederland, een epidemie kan overal toeslaan. Maar besmetting gaat zonder visueel spektakel: het draait om micro-organismen en mensen die wegkwijnen op bedden. Zieken zijn inert, vies en onspectaculair, zelfs als ze bloed huilen (Outbreak) of epileptische aanvallen krijgen (Contagion).

Sinds we beseffen dat niet kwade dampen, maar de medemens de bron van besmetting is, projecteren we angst voor epidemieën daarom op monsters als de vampier (besmet met tbc) of de weerwolf (een rabiëslijder) – één beet en je bent een levende dode. Nu zelfs vampier en weerwolf sexy zijn, is de zombie het gezicht van de besmetting. Aanvankelijk een eenzaam product van voodoo, ging de zombie sinds de horrorfilm Night of the Living Dead (1968) succesvol in zwermen opereren. Omsingeld door levende doden: zombies verbeelden perfect hoe de medemens bij een epidemie je ergste vijand wordt. En tegenwoordig hoeven ze niet eens dood te zijn: in films als The Crazies (1973, 2010) en 28 Days Later (2002) zijn zombies door een biowapen besmette mensen.

In die vorm is een epidemiefilm meestal het omgekeerde van een normale rampenfilm. Daarin neemt een aardbeving, vulkaan of tsunami de mensheid de maat. Overlevingsdrang smeedt uit een groep vreemden of een disfunctionele familie een hecht team en leert lessen over leiderschap, zelfopoffering en samenwerking. Rampenfilms vallen doorgaans in het optimistische genre van de actie- en avonturenfilm.

Epidemiefilms gaan juist over sociale desintegratie. Instituties falen, iedereen staat er alleen voor en de medemens is de vijand. De epidemiefilm is horror met een bijpassend pessimistisch mensbeeld. Beschaving blijkt een flinterdun laagje, ook als de mensheid wordt getroffen door blindheid (Blindness, 2008) of steriliteit (Children of Men, 2009). Het grote verband ontrafelt, wat rest zijn losse plukjes mensen en het recht van de sterkste.

Bij een epidemie kan je beter elke solidariteit of medemenselijkheid laten varen. Vrijwel elke zombiefilm bevat de scène waarin iemand sentimenteel doet over een besmet kind, moeder of eega en daardoor zelf ten onder gaat. In Lars von Triers Epidemic (1987) werken filmmakers aan een scenario over een epidemie die vlak daarna ook in het echt uitbreekt – je hoopt dat het met Contagion anders loopt. Een te goedhartige dokter verspreidt in het script van Von Trier de plaag door zieken niet gewoon aan hun lot over te laten. Het beste, vindt Von Trier, is bij een plaag elk besmet huis dicht te metselen. In recente epidemiefilms als Carriers of Rec geldt dat recept nog steeds. Wie niet inhumaan, asociaal of meedogenloos optreedt, gaat zelf ten onder.

Welverdiend overigens. Een ramp of ziekte is in films meestal een straf voor decadentie, corruptie of (wetenschappelijke) hoogmoed. De ellende begint vaak tijdens een feest: van The Towering Inferno tot Titanic gaan Sodom en Gomorra ten onder in smoking en avondjurk. Zelfs het wetenschappelijke Contagion ontkomt niet helemaal aan bijbels moralisme. Daar is de boosdoener globalisme: vliegverkeer verspreidt het dodelijke virus MEV-1 binnen een etmaal van een casino in Kowloon over Japan, Amerika en Europa, het internet verspreidt daarna al even snel paniek, wantrouwen en complottheorieën. Iets specifieker: Beth (Gwyneth Paltrow), de ‘Typhoid Mary’ die het virus naar Amerika brengt, blijkt een zondares die in Hongkong gokt, flirt en zuipt en op doorreis naar haar brave echtgenoot Mitch (Matt Damon) in Minneapolis nog even een minnaar in Chicago besmet. Ook zonder haar wangedrag zou het virus zich verspreiden; toch voelt het minder erg dat Beth – en haar zoontje – zo snel met open gezaagde schedel op de sectietafel ligt.

Mitch, de doorsneeman met wie we ons verder moeten identificeren, houdt zich aan de regels van de ‘social distancing’ om samen met zijn dochter het virus te overleven. Deuren en ramen dicht, handschoenen en mondkapje op, elk contact vermijden, zieken aan hun lot overlaten. Zijn dochter mag zelfs niet met haar vriendje knuffelen. Maar hoe kan de mensheid zo overleven? Het is hier dat Contagion zich echt onderscheidt van zo’n beetje alles wat Hollywood de afgelopen dertig jaar produceerde. Er blijkt namelijk toch iets te zijn met de organisatie, hulpbronnen en mentaliteit om de wereld van dit horrorscenario te redden: de overheid. In die zin maakt Soderbergh wel degelijk een ouderwetse rampenfilm. Rampenfilms uit de vroege jaren zeventig waren de laatste films die vertrouwden op ambtenaren, professionals en gezagdragers van middelbare leeftijd: daarom werden die films ook zo snel als ouderwets ervaren. Want nadien was de overheid steevast boosdoener, obstakel of irrelevant en brachten eenlingen die tegen de stroom oproeien altijd redding.

Maar in Contagion houden hardwerkende, idealistische ambtenaren de zaak bijeen terwijl een blogger die tegen de stroom oproeit grote ellende veroorzaakt. Het blad American Prospect noemt Contagion in die zin een ware Obamafilm. Terwijl Soderberghs vriend George Clooney in The Ides of March het wijdverbreide cynisme over bestuur en politiek maar weer eens bevestigt, steekt Contagion de loftrompet over de ambtenaar. Heel verfrissend eigenlijk: als straks de zombies in je achtertuin staan, hoop je toch dat het alarmnummer werkt.