Uitgeblust?

I k heb zin om het hoofd in de nek te gooien, en met de benen op tafel een bockbier of een van de voortreffelijke alternatieven uit Vlaanderen erin te laten glijden. Een paar weken lang denken aan: volstrekt niets. Het is mooi geweest, de tank is leeg. Fysiek, mentaal, moreel. Het bloed in de aderen is oud en begint te vlokken. Speelt er binnenkort nog een leuke band in de buurt, of hoe zit het?

Ben ik uitgeblust? Zit ik tegen een burn-out aan? Helemaal niet. Ik heb een loopneus, en hoest wanneer ik een sjekkie opsteek. Maar voor de rest floreer ik als de Peellandse monocultuur (mais). Ik beschrijf hierboven een jaarlijks terugkerende reflex. Zaterdag keek ik naar de Ronde van Lombardije. Vanaf het moment dat de eerste renner in beeld verscheen, kakte ik schitterend in.

Wielrennen is een sport van de seizoenen. De renner beweegt mee met de stand van de zon. Wie lang genoeg in het zadel zit, ademt de seizoenen. Dat raak je nooit meer kwijt. En ja, in de herfst is het gebeurd met de fotosynthese.

In de Ronde van Lombardije ging ik consequent dood. Beter gezegd, ik was het al bij de start. Te veel herfst in het systeem. De koers van de vallende bladeren kwam altijd een maand te laat. Maar ik keek er reikhalzend naar uit. Zelfs voor wie er niets te zoeken had hield de wedstrijd een belofte in: het vallen van het doek over het jaar, gevolgd door pijnloos herstel.

Ik was benieuwd hoe Woutje Poels het zou doen, zaterdag. Hij woont in de buurt, ik volg elke beweging. Wout is genomineerd voor de uitverkiezing van ‘Renner van het Jaar’. Inderdaad heeft hij een ferm jaar in de benen. In de regionale pers sprak hij van een mooie opsteker. Moe was hij intussen wel, maar voor Lombardije zou hij zich nog een keer opladen. Wat moet je anders zeggen?

Met nog drie uur te gaan zag ik Wout op een pittige beklimming lossen uit een nog vrij omvangrijke groep. Niet alleen, de achterdeur stond wijd open. Je zag het aan hem, de beslissing om te lossen was weken geleden onbewust genomen. Even omkijken nog, en voorbij schoof de camera, op weg naar het volgende plukje havelozen. Benijdenswaardig was het allemaal. Ik werd door een golf weemoed overspoeld.

Als de herfst erin zit, staat de renner machteloos. Een anekdote. Twintig jaar geleden reed ik met ploegmaat Frans Maassen naar de Grote Prijs Fourmies, een dodelijke najaarskoers. Het regende, we begonnen elkaar in de put te praten. Tijdens de koers dwong hij me bijna af te stappen – hij was de chauffeur. Ik moest nog naar Lombardije, ik kon dat niet maken. Waarop hij demarreerde en won.

Peter Winnen hervat zijn column bij aanvang van het wielerseizoen.

    • Peter Winnen