Echt vrij bewegen is uitgesloten

Bij de politietrainingsmissie in Afghanistan gaat veiligheid voor alles.

Ook als de civiele missie daardoor stiekem toch meer lijkt op een militaire.

Afghanistan. Kabul. 05-10-2011. Brigadier Gwen Loontjens, EUPOL. Foto: Jo‘l van Houdt Joel van Houdt

Het is gevaarlijk in Afghanistan. Maar hoe gevaarlijk? Daarover lijken de ministeries die er mensen voor de politietrainingsmissie naartoe hebben gestuurd het niet eens. In de ‘geïntegreerde’ missie regelt elk van de drie departementen apart de veiligheid van zijn mensen.

Als Laetitia van Asch een afspraak heeft in Kunduz-stad, moet de diplomate overleggen met haar directe collega’s van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken. Ze verblijven met z’n drieën tussen duizenden militairen op de internationale legerbasis in Kunduz en delen hun auto’s en beveiligers. Ze moeten afstemmen wie die wanneer gebruikt.

Als dat geregeld is, klimt Van Asch, in een lange rok en met een fleurige hoofddoek, op de achterbank van een donkere Mercedes-terreinwagen. Vaak gaat een tolk mee. Voorin zitten haar beschermers: twee ex-militairen die nu diplomaten beveiligen in de meest gevaarlijke landen. Ze zijn al van het type kleerkast, maar de kogelwerende vesten onder hun kleding maken hen nog hoekiger. Het dashboard ligt en hangt vol met communicatieapparatuur. Tussen de beveiligers in staan twee geweren. De achterruiten zijn geblindeerd en van centimeters dik gepantserd glas.

Een derde beveiliger volgt in eenzelfde Mercedes. Mocht er iets gebeuren met Van Asch’ terreinwagen, dan moeten zij en haar entourage snel kunnen overstappen.

De bodyguards verkennen de route en bestemming vooraf. Ze staan voor de deur op wacht als Van Asch met lokale mensenrechtenorganisaties of internationale partners spreekt. Dat is wel even iets anders dan naar kantoor in Den Haag, bevestigt Van Asch, „maar ik voel me vrij om te bewegen. Het is tenslotte een civiele missie.”

Tussen de vele voertuigen die het militaire kamp in Kunduz op- en afrijden, zijn de Mercedes-jeeps de nietigste. Duitsers trekken met konvooien pantserwagens en zelfs tanks de provincie in. Nederlandse militairen verplaatsen zich in colonne door de stad, met Bushmaster- en Patria-pantservoertuigen. Zo bezoeken ze politiebureaus, waar zij agenten bijscholen van de civiele politie, de tak die zich moet bezighouden met inbraken en burenruzies.

Kunduz is veiliger dan Uruzgan, is de Tweede Kamer beloofd toen de politiemissie werd opgetuigd. Dat is aan de uitrusting niet te zien. „We hebben ervoor gekozen hetzelfde niveau van bescherming aan te houden als in Uruzgan”, zegt commandant der strijdkrachten generaal Peter van Uhm. Veiligheid gaat voor alles, ook als dat het beeld versterkt dat deze missie stiekem toch een militaire is.

Om met vijf trainers van de marechaussee een politiebureau te bezoeken, gaan zeker dubbel zoveel landmachtmilitairen als beschermers mee. Voorop elke Bushmaster staat een .50 machinegeweer dat van binnenuit, via een beeldscherm, wordt aangestuurd. Achterop steekt een schutter uit het dak. Jammers zenden signalen uit die frequenties verstoren waarop bermbommen tot ontploffing worden gebracht.

Zo voelen de landmachtmilitairen zich het veiligst. Geen van de 24 collega’s die stierven in Uruzgan, kwam immers om in een Bushmaster. Volgens kolonel Ron Smits, de commandant ter plaatse, hebben militairen zoveel bescherming nodig. Hun zichtbare aanwezigheid werkt als een rode lap op een stier. „Een militair valt nu eenmaal snel op en trekt ook kwaad aan”, zegt hij. „En de politie die wij trainen, is zelf ook doelwit.” In maart kwam de politiechef van Kunduz om bij een zelfmoordaanslag. Smits heeft zich door de lokale autoriteiten laten vertellen dat de Bushmasters de bevolking juist „een gevoel van veiligheid” geven.

Niet alle marechaussees zijn er even blij mee. Juist door de imposante voertuigen, hun zware bewapening en het feit dat zij een uniform van de landmacht moeten dragen, voelen zij zich mikpunt. „In mijn blauwe pak, in een gewone auto, zou ik mij een stuk veiliger voelen”, zegt één van hen, die niet met zijn naam in de krant wil.

Hij zou zich liever zo makkelijk bewegen als de trainers van de Europese politiemissie EUPOL. Nederlandse politiemensen die zich hiervoor hebben aangemeld, leiden onder EU-vlag het hogere kader van de politie op in Kunduz en Kabul. Ze hebben leren schieten met het geweer en kunnen zichzelf daarmee voldoende beveiligen, redeneert Veiligheid en Justitie, dat hen heeft uitgezonden. Voor noodgevallen schakelt EUPOL in Kabul een „Blackwater-achtig” beveiligingsbedrijf in, zegt een woordvoerder van het ministerie. In Kunduz kan een beroep op het Duitse leger worden gedaan.

Echt vrij bewegen is overigens ook voor EUPOL-mensen uitgesloten. Zo mogen ze niet alleen in hun terreinauto’s van het kamp af en moeten ze altijd een kogelwerend vest dragen. Ook is het verboden onderweg uit hun Mercedes stappen, wat er ook gebeurt. Toen een man een tijdje geleden de auto aanreed van Gwen Loontjens, die voor EUPOL in de hoofdstad Kabul werkt, mocht zij niet uitstappen om de schade op te nemen.

Het EUPOL-hoofdkwartier in Kabul bepaalt in principe of het voor de politiemensen veilig genoeg is om door de stad te rijden. Zo gaat dat al sinds 2007, toen de EU-missie begon. Ook diplomaten hebben in Afghanistan altijd voor hun eigen bescherming moeten zorgen.

Sinds begin dit jaar heeft het kabinet het lot van het Nederlandse contingent binnen EUPOL echter verbonden aan dat van de Nederlandse militairen die in Kunduz politieagenten opleiden. Samen vormen zij, politiek althans, een geïntegreerde missie. Daarom heeft commandant Ron Smits het laatste woord. „Als ik niet zeker weet dat het ergens veilig genoeg is, gaan ook de mensen van Buitenlandse Zaken en EUPOL er niet naartoe.”