Creatieve industrie groeit, niet iedereen profiteert

Het belang van design voor de Nederlandse economie neemt toe. Binnen de sector bestaan wel grote verschillen in de mate van succes.

Gaat het nou goed of slecht met de vormgeving in Nederland? Die vraag doemt op bij bestudering van het gisteren gepresenteerde rapport Vormgeving verder op de kaart van TNO over vormgeving in Nederland. In opdracht van Premsala, het Nederlands Instituut voor Design en Mode, onderzocht TNO voor de tweede keer (na 2005) het economisch belang van de sector.

Vormgeving, creatieve industrie, design. Het zijn sectoren waar Nederland zich graag op laat voorstaan. Mode-ontwerpers als Viktor en Rolf, architecten als Rem Koolhaas, Dutch Designers als Benno Premsala, W.H. Gispen en Piet Hein Eek, maar ook gamesbedrijven als Guerrilla Games: het zijn de meest zichtbare uithangborden van een Nederland dat weet wat mooi is.

Niet voor niets benoemde minister Verhagen (Economische Zaken, CDA) begin dit jaar in het nieuwe topsectorenbeleid de creatieve industrie als een belangrijk onderdeel in het Nederlandse industriebeleid. Ramingen van het economische belang van de creatieve industrie variëren – afhankelijk van de gekozen definitie – van 9,8 miljard tot 16,9 miljard euro. Daarmee is de creatieve industrie goed voor zo’n 1,6 tot 2,8 procent van de totale Nederlandse economie (zie grafiek). Daarbinnen zorgt vormgeving voor zo’n 4 miljard euro aan waarde. De sector groeit met 5,1 procent per jaar (tussen 2001 en 2007) sneller dan de rest van de economie (2,1 procent). Ook het aantal personen dat werkzaam is in de vormgeving stijgt sneller dan de werkgelegenheid in de gehele economie.

Achter de mooie cijfers gaat een weerbarstige werkelijkheid schuil. Zo blijken vormgevers betrekkelijk vaak een beroep te doen op een uitkering op basis van de Wet werk en inkomen kunstenaars (WWIK). In 2009 was van alle 2.600 WWIK-uitkeringen 26 procent voor vormgevers. Alleen beeldend kunstenaars deden vaker een beroep op de regeling, die overigens per 1 januari 2012 ophoudt te bestaan.

Ook de stijging van het aantal vormgevers is niet eenduidig. Het aantal werknemers in de product- en ruimtelijke vormgeving is sinds 2000 licht gedaald, terwijl vormgeving in de communicatie sterk gegroeid is. De daling van productvormgevers komt grotendeels voor rekening van goud- en zilversmeden. Productvormgevers zijn afhankelijk van de maakindustrie van consumentengoederen (meubilair, elektronica, auto’s). Het onderzoek: „Juist dit type industrie is niet sterk ontwikkeld in Nederland of onderhevig aan globalisering en verplaatsing naar lagelonenlanden.” Ook de ruimtelijke vormgeving (architecten) liet een daling zien, vooral bij binnenhuisarchitecten.

Zelfs binnen de groep stijgers (vormgeving in de communicatie) is het beeld verdeeld. Het TNO-rapport spreekt toepasselijk van ‘creatieve destructie’. Het aantal vormgevers in dienst van het (grote) bedrijfsleven is gedaald. Hun plaats is ingenomen door kleine zelfstandigen en freelancers. Dat lijkt fijn (want flexibel) maar betekent ook dat een deel van de werkloosheid ‘onzichtbaar’ blijft. Zelfstandigen vangen in eerste instantie vaak zelf de klappen op van een economisch mindere periode.

Het kabinet mag dan enthousiast zijn over de creatieve sector, het nieuwe topsectorenbeleid zorgt ook voor risico’s, constateren de onderzoekers. Het kabinet bezuinigt op erfgoed, kunsten en media en stimuleert de zogenoemde functionele creaties, terwijl die vier onderdelen internationaal gezien juist sámen de creatieve industrie vormen. „Daarmee wordt voorbijgegaan aan de onderlinge band en verwevenheid en de daarmee geassocieerde kansen op onderlinge kruisbestuiving [..].”

Al met al is TNO enthousiast. Vormgevers tonen zich flexibel en dynamisch, hebben vaak aan een laptop genoeg en weten goed de omslag te maken van de ‘oude’ fysieke naar de ’nieuwe’ digitale economie. Nu maar hopen dat ze in die nieuwe economie genoeg verdienen om in hun levensonderhoud te voorzien.